Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van het cassatiemiddel
3.Beslissing
3 december 2024.
Hoge Raad
De zaak betreft een cassatieberoep van een opgeëiste persoon tegen een uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 29 juni 2022 over een uitleveringsverzoek van Turkije wegens Opiumwetdelicten.
De advocaat-generaal had eerder geconcludeerd tot vernietiging van de uitspraak en oproeping van de opgeëiste persoon voor een nieuwe zitting, omdat het proces-verbaal van de behandeling van het uitleveringsverzoek ontbrak, wat in strijd zou zijn met artikel 29 lid 1 van Pro de Uitleveringswet en artikel 326 lid 1 Sv Pro.
De Hoge Raad gaf de rechtbank de gelegenheid om het proces-verbaal alsnog op te maken. Nadat dit proces-verbaal was toegevoegd aan de stukken, heeft de raadsman van de opgeëiste persoon geen gebruik gemaakt van de mogelijkheid tot aanvullende schriftuur.
Daarmee is de feitelijke grondslag van de klacht komen te vervallen, zodat het cassatieberoep niet tot vernietiging kan leiden. De Hoge Raad heeft het beroep dan ook verworpen.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen omdat het ontbrekende proces-verbaal inmiddels is toegevoegd.