ECLI:NL:HR:2024:1830

Hoge Raad

Datum uitspraak
10 december 2024
Publicatiedatum
9 december 2024
Zaaknummer
22/02186
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 273f SrArt. 420ter SrArt. 420bis SrArt. 36f SrArt. 6:4:20 Sv
Verwijzingen
17 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vermindering gevangenisstraf en aanpassing duur gijzeling bij medeplegen mensenhandel en gewoontewitwassen

De Hoge Raad heeft op 10 december 2024 uitspraak gedaan in het cassatieberoep tegen het arrest van het gerechtshof Amsterdam van 1 juni 2022. De zaak betrof medeplegen van mensenhandel en gewoontewitwassen. De verdachte werd veroordeeld tot gevangenisstraf en schadevergoedingsmaatregelen met gijzeling als dwangmiddel.

De advocaat-generaal had geconcludeerd tot vernietiging van het hofarrest met betrekking tot de duur van de gijzeling en de gevangenisstraf. De Hoge Raad volgt dit advies deels en vernietigt het arrest uitsluitend voor die onderdelen. De duur van de gijzeling wordt ambtshalve aangepast conform het wettelijk maximum van één jaar (360 dagen), waarbij voor twee slachtoffers respectievelijk 38 en 322 dagen gijzeling kunnen worden toegepast.

Daarnaast wordt de opgelegde gevangenisstraf verminderd met zes jaren vanwege overschrijding van de redelijke termijn, waardoor de straf uitkomt op vijf jaar en negen maanden. De overige klachten van de verdachte worden verworpen. De Hoge Raad motiveert niet uitvoerig omdat de klachten geen vragen van belang voor de rechtsontwikkeling opleveren.

Uitkomst: De gevangenisstraf wordt verminderd tot vijf jaar en negen maanden en de duur van gijzeling bij schadevergoedingsmaatregelen wordt aangepast tot respectievelijk 38 en 322 dagen.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer22/02186
Datum10 december 2024
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Amsterdam van 1 juni 2022, nummers 23-004365-16 en 23-004357-16, in de strafzaak
tegen
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1967,
hierna: de verdachte.

1.Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft G. Spong, advocaat in Amsterdam, bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld.
De advocaat-generaal T.N.B.M. Spronken heeft geconcludeerd tot vernietiging van de uitspraak van het hof, maar uitsluitend wat betreft (a) de duur van de gijzeling die is verbonden aan de opgelegde schadevergoedingsmaatregelen ten behoeve van de benadeelde partijen [slachtoffer 4] en [slachtoffer 1], tot bepaling dat met toepassing van artikel 6:4:20 Sv Pro ten aanzien van deze schadevergoedingsmaatregelen gijzeling van respectievelijk 38 en 322 dagen kan worden toegepast; en (b) de duur van de opgelegde gevangenisstraf en tot vermindering daarvan naar de gebruikelijke maatstaf; en tot verwerping van het beroep voor het overige.
De raadsman van de verdachte heeft daarop schriftelijk gereageerd.

2.Beoordeling van de cassatiemiddelen

De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van Pro de Wet op de rechterlijke organisatie).

3.Ambtshalve beoordeling van de uitspraak van het hof

3.1
Het hof heeft de verdachte de verplichting opgelegd, kort gezegd, om aan de Staat ten behoeve van de in het arrest genoemde slachtoffers [slachtoffer 4] en [slachtoffer 1] de in het arrest vermelde bedragen te betalen, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door respectievelijk 40 en 325 dagen gijzeling.
3.2
Op grond van artikel 36f lid 5 van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr) bepaalt de rechter bij de oplegging van de maatregel de duur volgens welke met toepassing van artikel 6:4:20 van Pro het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) gijzeling kan worden toegepast. De duur van de gijzeling beloopt – ook in gevallen van samenloop als bedoeld in artikel 57 en Pro 58 Sr (vgl. artikel 60a Sr) – ten hoogste één jaar, waarbij in deze zaak geldt dat onder één jaar 360 dagen moet worden verstaan (vgl. HR 24 mei 2022, ECLI:NL:HR:2022:714).
3.3
De Hoge Raad zal de uitspraak van het hof ambtshalve vernietigen en zelf de duur van de gijzeling verminderen in die zin dat is voldaan aan het wettelijk bepaalde maximum van één jaar.
3.4
De Hoge Raad doet uitspraak nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Dat brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 van Pro het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden is overschreden. Dit moet leiden tot vermindering van de opgelegde gevangenisstraf van zes jaren.

4.Beslissing

De Hoge Raad:
- vernietigt de uitspraak van het hof, maar uitsluitend wat betreft de duur van de gijzeling die is verbonden aan de opgelegde schadevergoedingsmaatregelen en wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf;
- bepaalt dat met toepassing van artikel 6:4:20 Sv Pro ten aanzien van de schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 4] gijzeling van 38 dagen kan worden toegepast en ten aanzien van de schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 1] gijzeling van 322 dagen kan worden toegepast;
- vermindert de duur van de opgelegde gevangenisstraf in die zin dat deze vijf jaren en negen maanden beloopt;
- verwerpt het beroep voor het overige.
Dit arrest is gewezen door de vice-president M.J. Borgers als voorzitter, en de raadsheren M. Kuijer en T. Kooijmans, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.S. Kea, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van
10 december 2024.