ECLI:NL:HR:2024:207
Hoge Raad
- Cassatie
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt uitspraak Rechtbank over navorderingsaanslag inkomstenbelasting 2017
Belanghebbende stelde beroep in cassatie in tegen de uitspraak van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant van 27 februari 2023, waarin een navorderingsaanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen over het jaar 2017 en de daarbij behorende beschikking inzake belastingrente waren bevestigd.
De Hoge Raad heeft de ingebrachte klachten van belanghebbende beoordeeld en geoordeeld dat deze niet leiden tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank. Daarbij was het niet noodzakelijk om de motivering van het oordeel nader toe te lichten, omdat de klachten geen vragen van belang voor de eenheid of ontwikkeling van het recht opriepen, conform artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie.
De waarnemend Advocaat-Generaal had eerder geconcludeerd tot ongegrondverklaring van het cassatieberoep, waarop belanghebbende schriftelijk had gereageerd. De Hoge Raad zag geen aanleiding om proceskosten toe te wijzen.
Het arrest werd gewezen door de vice-president als voorzitter en twee raadsheren, en in het openbaar uitgesproken op 9 februari 2024.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de Rechtbank wordt bevestigd.