Uitspraak
1.Procesverloop
2.Beoordeling van het middel
3.Beslissing
9 februari 2024.
Hoge Raad
In deze zaak heeft eiser cassatieberoep ingesteld tegen een arrest van het gerechtshof Den Haag waarin werd geoordeeld dat een vordering wegens een beroepsfout van een eerdere advocaat was verjaard. Het hof oordeelde tevens dat de eerste beroepsfout niet tot schade had geleid. De Hoge Raad verwijst naar eerdere uitspraken van rechtbank Rotterdam en het hof Den Haag voor het procesverloop in de feitelijke instanties.
De Hoge Raad heeft de klachten van eiser beoordeeld maar concludeert dat deze niet kunnen leiden tot vernietiging van het arrest. Daarbij is het niet nodig om inhoudelijk op de vragen in te gaan, omdat deze niet van belang zijn voor de eenheid of ontwikkeling van het recht, conform artikel 81 lid 1 van Pro de Wet op de rechterlijke organisatie.
De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en veroordeelt eiser in de kosten van het geding in cassatie. De uitspraak is gedaan door de vicepresident als voorzitter en vier raadsheren, en in het openbaar uitgesproken door een raadsheer op 9 februari 2024.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en eiser wordt veroordeeld in de proceskosten.