Conclusie
1.Yadido B.V.,
de Gemeente. [eiseres 2] B.V., [eiseres 3] B.V. en FlexHotels B.V. worden gezamenlijk aangeduid als
[eiseressen 2 en 3], en individueel als
[eiseres 2],
[eiseres 3]en
FlexHotels.
1.Inleiding en samenvatting
2.Feiten en procesverloop
Yadido) is bestuurder en enig aandeelhouder van [eiseres 2] . De gezamenlijk bevoegde bestuurders van Yadido zijn [betrokkene 1] en [betrokkene 2] (hierna:
[betrokkene 1]en
[betrokkene 2]).
het park). [eiseres 2] is erfpachter van de gronden waarop het park is gevestigd. De Gemeente is de erfverpachter van die gronden. [eiseres 2] is eigenaar van de activa (waaronder chalets) die zich op het park bevinden.
de parkvernieuwing) en zijn daartoe met de Gemeente in overleg getreden in verband met de benodigde planologische besluitvorming. [eiseressen 2 en 3] wensten op het park naast recreatieve verhuur tevens chalets te verhuren aan arbeidsmigranten, wat onder het destijds vigerende bestemmingsplan niet was toegestaan (behoudens ontheffing). Ook wensten [eiseressen 2 en 3] nieuwe chalets te bouwen.
het college) heeft op 5 april 2011 een omgevingsvergunning verleend (productie 1 [eiseressen 2 en 3]) om op het park 25 chalets te bouwen (fase 1A).
enkel recreatief gebruik” en “
permanente bewoning niet toegestaan” in het licht van het voornemen om ook in de te bouwen chalets arbeidsmigranten te huisvesten. Bij brief van 11 maart 2013 (productie 6) heeft het college daarop geantwoord. In de brief verwijst het college in de eerste plaats naar het gespreksverslag van 19 oktober 2012 (zie hierboven) en voegt daar dan aan toe:
225.
Afdeling). Zij voerden aan dat, in afwijking van het met de Gemeente afgesproken aantal van
375arbeidsmigranten [2] , er ten onrechte slechts 225 arbeidsmigranten mogen worden gehuisvest. Bij uitspraak van 18 november 2015 [3] heeft de Afdeling de besluiten van 9 september 2014 en 11 november 2014 vernietigd wegens een motiveringsgebrek (onvoldoende gemotiveerd is het getal van 225).
300arbeidsmigranten mochten huisvesten.
300arbeidsmigranten gehuisvest mogen worden.
énonrechtmatig heeft gehandeld door vaststelling van het bestemmingsplan en (2) veroordeling van de Gemeente tot schadevergoeding.
vonnis) heeft de rechtbank Limburg, zittingsplaats Roermond (hierna: de
rechtbank), de vorderingen afgewezen.
hof). Na eiswijziging bij memorie van grieven werd in hoger beroep, kort gezegd, het volgende gevorderd: (1) een verklaring voor recht dat de Gemeente tekort is geschoten in de nakoming van afspraken dan wel toezeggingen
en/ofonrechtmatig heeft gehandeld door vaststelling van het bestemmingsplan en (2) veroordeling tot schadevergoeding.
bestreden arrest) heeft het hof het vonnis vernietigd. Opnieuw rechtdoende heeft het hof Yadido niet-ontvankelijk verklaard, voor recht verklaard dat de Gemeente jegens [eiseressen 2 en 3] onrechtmatig heeft gehandeld door de aan hen gedane toezegging niet na te komen, en de Gemeente veroordeeld tot vergoeding van de door [eiseressen 2 en 3] geleden schade, op te maken bij staat. Daartoe is – zakelijk weergegeven – het volgende overwogen:
in vergelijkbare omvang ondergeschikte activiteit” mocht plaatsvinden, zo worden begrepen dat zij chalets op plandelen 1A en 1B tot 2026 volledig mochten inzetten voor het huisvesten van arbeidsmigranten (rov. 6.10).
3.Cassatieberoepen ingesteld tegen en door Yadido
4.Bespreking van het principaal cassatiemiddel van de Gemeente
Onderdeel 1: het hof heeft miskend dat [eiseressen 2 en 3] alleen vertrouwen kon ontlenen aan uitlatingen die ten tijde van de gedane toezegging aan [eiseressen 2 en 3] waren gericht, althans die hen op dat moment hadden bereikt. Voor zover dat niet is miskend, is het besluit van 17 december 2013 [eiseressen 2 en 3] pas in 2019 ter kennis gekomen.
Onderdeel 2: het hof heeft miskend dat een onbevoegd gedane toezegging niet kan worden toegerekend aan het bevoegde orgaan, indien met die toerekening de wettelijke bevoegdheidsverdeling binnen een gemeente wordt doorkruist.
Onderdeel 3: het oordeel over vereenzelviging geeft blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is onbegrijpelijk in het licht van een aantal stellingen en vastgestelde feiten.
Vitesse I, [15] volgt dat vertrouwen op uitlatingen en gedragingen van een orgaan dat terzake niet bevoegd is, niet snel gehonoreerd dient te worden omdat anders de interne bevoegdheidsverdeling wordt doorkruist. [16]
Dakterras-uitspraak [20] dat bij de beoordeling van een beroep op het vertrouwensbeginsel drie stappen moeten worden doorlopen. De
eerste stapbehelst de juridische kwalificatie van de uitlating of gedraging waarop de betrokkene zich beroept: is sprake van een toezegging? Bij de
tweede stapmoet worden bezien of, als er een toezegging is, die toezegging aan het bevoegde bestuursorgaan kan worden toegerekend. Indien beide vragen bevestigend worden beantwoord, volgt de
derde stap. Dan zal moeten worden bezien wat de betekenis van het gewekte vertrouwen is bij de uitoefening van de betreffende bevoegdheid.
bevoegdis gedaan. Deze uitspraak heeft zoals mocht worden verwacht geleid tot tal van commentaren in de rechtsliteratuur. Volgens Van der Veen wijkt de nieuwe koers van de Afdeling af van die van de (civiele kamer van de) Hoge Raad. [22] Keus betoogt dat bij de eerste twee stappen de Afdeling juist is opgeschoven richting het civiele recht. [23] Damen had graag gezien dat de Afdeling zich had aangesloten bij, althans iets had overwogen over de verhouding tot de rechtspraak van de Hoge Raad. [24] Van Triet en Tjepkema benadrukken dat het doorkruisen van de bevoegdheidsverdeling in stap 2 nog steeds aan toerekening in de weg kan staan. [25] Andere hoogste bestuursrechters hebben de
Dakterras-uitspraak van de Afdeling gevolgd. [26]
nietwordt nagekomen (bijvoorbeeld de buren van degene aan wie is toegezegd dat hij een dakterras mag inrichten). Moeten zij van deze meer ‘burgervriendelijke’ benadering van de Afdeling (indirect) de gevolgen dragen? Ik zou menen van niet. Het bestuursorgaan dient nog steeds, in het kader van de derde stap, een belangenafweging te maken tussen de belangen van de betrokkene aan wie de toezegging is gedaan en de mogelijk zwaarderwegende belangen van derden (of van algemene belangen). In die zin rov. 11.4 van de
Dakterras-uitspraak: “
Die zwaarder wegende belangen kunnen zijn gelegen in strijd met de wet, het algemeen belang en meer specifiek, veel voorkomend in het omgevingsrecht, belangen van derden.” Eind 2021 heeft de Hoge Raad in de privaatrechtelijke context geoordeeld dat, ook als het uitgangspunt is dat het overheidslichaam gehouden is een toezegging na te komen, zwaarderwegende andere belangen, waaronder belangen van derden of algemene belangen, aan nakoming in de weg kunnen staan. [27] In een dergelijk geval moet het overheidslichaam daarom kunnen afzien van het gestand doen van de toezegging.
In het besluit van het college van 17 december 2013 (zie 3.14) [bedoeld zal zijn: 4.14, A-G], staat expliciet vermeld dat de “ondergeschiktheid” van de huisvesting van arbeidsmigranten inhoudt dat fase 1a en 1b de mogelijkheid bieden voor huisvesting van arbeidsmigranten ("Over de ondergeschiktheid van arbeidsmigranten: la en Ib bieden mogelijkheid voor huisvesting van arbeidsmigranten”).Deze zinsnede is - naar het hof begrijpt – opgenomen ter aanpassing van hetgeen in het bijvoegde ontwerp bestemmingsplan over “ondergeschiktheid” stond vermeld (“
Van ondergeschiktheid is in dit geval sprake tot een aantal van circa 375 personen, hetgeen overeenkomt met het aantal personen dat gehuisvest kan worden in de fases 1a en 1b”).
Een (maximaal) aantal te huisvesten arbeidsmigranten, kon en mocht door [eiseressen 2 en 3] hieruit niet worden afgeleid, maar wel dat zij de chalets op Fase 1A en 1B mocht inzetten voor het huisvesten van arbeidsmigranten.Een bevestiging van deze zienswijze kan worden gevonden in de uitspraak van de Afdeling van 19 augustus 2020. Uit deze uitspraak (zie 3.2) volgt dat tijdens de zitting bij de Afdeling is gebleken dat partijen het er over eens zijn dat met gebruik in “vergelijkbare omvang” een gebruik is bedoeld dat kan worden gelijkgesteld met een gebruik van 44 chalets met per chalet (maximaal) 8 bewoners, hetgeen neerkomt op huisvesting van (maximaal) 352 arbeidsmigranten.
op dat momenthadden bereikt. Dit is ook wat de rechtbank in rov. 4.5.2 van het vonnis heeft geoordeeld en daartegen is in hoger beroep geen grief gericht. [28] De inhoud van een gedane toezegging kan daarom enkel worden uitgelegd aan de hand van dergelijke aan [eiseressen 2 en 3]
ten tijde van de gedane toezeggingbekende omstandigheden.
2. […] Dit gebruik is en blijft ook daarna (conform gemeentelijke beleid) binnen de recreatieve bestemming in vergelijkbare omvang als ondergeschikte activiteit mogelijk;” (zie ook het citaat weergegeven hiervoor in 2.8). Het hof borduurt in rov. 6.10 voort op wat in rov. 6.9 is overwogen. Voor het oordeel dat de Gemeente de toezegging heeft gedaan dat de plandelen 1A en 1B – ook ná het gereedkomen van die plandelen – mochten worden gebruikt voor de huisvesting van arbeidsmigranten, baseert het hof zich in rov. 6.9 op het vermelde gespreksverslag van 19 oktober 2012 in samenhang met de brief van 11 maart 2013. Dat volgt ook uit het verslag van het overleg op 3 september 2014. In rov. 6.10 vindt het hof (onder andere) in het besluit van het college van 17 december 2013 bevestiging dat [eiseressen 2 en 3] uit de toezegging uit 2012 heeft mogen begrijpen dat zij chalets op plandelen 1A en 1B volledig mochten inzetten voor het huisvesten van arbeidsmigranten (tot 2026). Anders dan het middel betoogt, baseert het hof zich dus niet enkel op uitlatingen die pas later aan het licht zijn gekomen, maar gebruikt het deze uitlatingen als ondersteunend voor het oordeel. De conclusie in de ook bestreden rov. 6.11 is dan ook gebaseerd op ‘alle omstandigheden’ (zie de eerste zin daarvan).
onderdeel 2richten zich op rov. 6.6, 6.11, 6.15-6.17. Deze overwegingen luiden, voor zover relevant voor de bespreking van de klachten, als volgt:
Maatstaf toezegging en nakoming
hebben in dit kader uit de uitlatingen en gedragingen van de betrokken wethouder(s) en casemanager(s) redelijkerwijs de indruk kunnen krijgen dat sprake was van een welbewuste standpuntbepaling van het bestuur over de manier waarop in dit geval de bevoegdheid tot het verlenen van toestemming voor het huisvesten van arbeidsmigranten op het park (al dan niet via het bestemmingsplan) zou worden uitgeoefend.(…)
toerekening aan het bevoegd bestuursorgaan
Gesteld noch gebleken is dat de wethouder(s) of casemanager(s) een uitdrukkelijk voorbehoud hebben gemaakt omtrent hun bevoegdheid om jegens [eiseressen 2 en 3] toezeggingen te doen. Ook is niet gebleken dat de gemeente, nadat een en ander binnen het college en de raad was besproken, afstand heeft genomen van de toezeggingen van de betrokken wethouder(s) of casemanager(s).Onder deze omstandigheden is het hof van oordeel dat [eiseressen 2 en 3] op goede gronden hebben mogen veronderstellen dat de wethouder(s), dan wel casemanager(s) de opvatting van de gemeente vertolkten.
nakoming toezegging (belangenafweging)
schade en causaal verband
een en ander binnen het college en de raad was besproken” (rov. 6.15), zoals onbestreden in cassatie vaststaat. Dit betekent echter niet dat de toezegging aan de gemeenteraad is toegerekend en al evenmin dat de gemeenteraad daaraan zou zijn gebonden. Het hof drukt alleen uit dat achteraf geen afstand is gedaan van de gedane toezeggingen. Er is door [eiseressen 2 en 3] dus gerechtvaardigd op de toezegging vertrouwd. Het niet nakomen van die toezegging is een onrechtmatige daad van de Gemeente (rov. 6.16) en is de oorzaak van schade geleden door [eiseressen 2 en 3] (rov. 6.17).
het in stemming brengen door het college van burgemeester en wethouders van een ontwerpbesluit dat in strijd was met die toezegging(onder 2.9);
het afzien van de gebruikmaking c.q. het feit dat niet gebruik gemaakt is van de mogelijkheid om een omgevingsvergunning te verlenen voor afwijking van het bestemmingsplan(onder 2.10 en 2.11).
onderdeel 3richt de Gemeente haar pijlen op rov. 6.14 en 6.23. Deze overwegingen luiden als volgt:
- aan wie zijn deze toezeggingen gedaan?
Rainbow-arrest van de Hoge Raad, [29] stelt de Gemeente dat het slechts in uitzonderlijke omstandigheden gerechtvaardigd is om het identiteitsverschil tussen twee rechtspersonen volledig weg te denken. De door het hof vermelde omstandigheden (op zichzelf of in samenhang) zijn niet aan te merken als uitzonderlijk.
Rainbow-arrest, namelijk als vorm van redres tegen misbruik van identiteitsverschil om verhaalsmogelijkheden te beperken. De eiser (
de Ontvanger) beriep zich op vereenzelviging van gedaagde (
Rainbow) met de vennootschap waarvan gedaagde de activiteiten had overgenomen (
Démarrage) zodat hij verhaal kon nemen op de gedaagde. In deze zaak is het de gedaagde (de Gemeente) die zich weliswaar op een identiteitsverschil tussen [eiseres 3] en FlexHotels beroept, maar niet op misbruik van dit identiteitsverschil. In de onderhavige zaak gaat het alleen om de vraag of de toezeggingen van de Gemeente moeten worden geacht (ook) te zijn gedaan aan FlexHotels en of de Gemeente had moeten begrijpen dat een stuitingsbrief ook namens FlexHotels werd verstuurd. Daarvoor geldt niet, en zou ook niet moeten gelden, dat sprake moet zijn van uitzonderlijke omstandigheden als bedoeld in het
Rainbow-arrest. Het hof heeft dit dus niet miskend, zoals de Gemeente ten onrechte betoogt.
Konmar/Exploitatiemaatschappij Waldorpstraatuit 1996. [31] In dat arrest heeft de Hoge Raad het volgende overwogen:
Een vereenzelviging van moeder- en dochtervennootschap in die zin dat het beoogde gebruik door de moeder als gebruik door de dochter heeft te gelden, kan niet worden aanvaard op de enkele grond dat de moeder 100% van de aandelen in de dochter houdt. Voor een dergelijke vereenzelviging kan slechts plaats zijn indien op grond van alle omstandigheden — waaronder ook de statutaire doelomschrijving van de dochtervennootschap/verhuurder — moet worden aangenomen dat het eigen belang van deze laatste wordt gediend door het gebruik dat de moedermaatschappij van het gehuurde wil gaan maken.”
uitzonderlijkeomstandigheden, maar wel dat
alleomstandigheden van het geval in aanmerking moeten worden genomen, en dat de enkele omstandigheid dat de moedervennootschap 100% van de aandelen van de dochtervennootschap houdt, niet voldoende was voor vereenzelviging. Voor het aannemen van vereenzelviging in het voordeel van een vennootschap is terughoudendheid geboden. [32]
waaromhet oordeel van het hof onbegrijpelijk is in het licht van de door haar genoemde stellingen en de feiten. Dat valt ook niet zonder meer in te zien. Verder is niet toegelicht
waaromde genoemde stellingen essentieel zouden zijn [33] , in de zin dat zij tot een ander oordeel kunnen leiden. [34] Ook dat is niet zonder meer duidelijk. Uit de stellingen en feiten kan worden afgeleid dat FlexHotels is opgericht om naast [eiseres 3] te bestaan (een beoogd identiteitsverschil), dat dit gebeurde op een bepaald tijdstip (2019) en dat [eiseres 2] controle heeft over deze vennootschappen. Dat alles heeft het hof niet miskend. Daarom valt niet in te zien waarom het oordeel onbegrijpelijk of onvoldoende gemotiveerd zou zijn.
5.Bespreking van het incidenteel cassatiemiddel van [eiseressen 2 en 3]
Onderdeel 1: het oordeel dat de Gemeente niet (ook) onrechtmatig heeft of kan hebben gehandeld jegens FlexHotels door niet-nakoming van toezeggingen die zijn gedaan vóórdat FlexHotels is opgericht, is onjuist dan wel onvoldoende gemotiveerd.
Onderdeel 2: het oordeel dat de niet-nakoming van de toezeggingen enkel onrechtmatig is, getuigt van een onjuiste rechtsopvatting en is onvoldoende begrijpelijk gemotiveerd.
Onderdeel 3: het oordeel dat onvoldoende is gesteld voor de conclusie dat een wederkerige overeenkomst tot stand is gekomen, is onvoldoende gemotiveerd.
onderdeel 1komen [eiseressen 2 en 3] op tegen rov. 6.14. In deze overweging beantwoordt het hof de vraag aan wie de toezeggingen zijn gedaan. Rov. 6.14 is geciteerd in 4.21.
Subonderdeel 1.1bevat geen klacht.
Subonderdeel 1.2is gericht tegen de eerste twee zinnen van rov. 6.14. Het betoogt dat indien het hof heeft geoordeeld dat de Gemeente niet (ook) onrechtmatig heeft of kan hebben gehandeld jegens FlexHotels omdat FlexHotels eerst ná het doen van de toezeggingen is opgericht en de toezeggingen daarom niet aan haar zijn gericht, het hof blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting. In
subonderdeel 1.3voegen [eiseressen 2 en 3] daar aan toe dat het oordeel in ieder geval onvoldoende is gemotiveerd in het licht van een stelling van [eiseressen 2 en 3] en een aantal vaststellingen van het hof. In dat licht valt, zonder nadere motivering, niet in te zien waarom de niet-nakoming van de toezeggingen niet ook onrechtmatig is jegens FlexHotels, althans waarom de belangen van FlexHotels niet zodanig bij de toezegging zijn betrokken dat de Gemeente zich die belangen had behoren aan te trekken door nakoming van die toezeggingen jegens FlexHotels (
subonderdeel 1.4).
- aan wie zijn deze toezeggingen gedaan?”). Dat betekent dat het hof oordeelt dat ook bij FlexHotels gerechtvaardigd vertrouwen is gewekt. Dat vertrouwen is door de Gemeente geschonden. Dat dit ook jegens FlexHotels een onrechtmatige daad oplevert, overweegt het hof in rov. 6.16 (einde). De Gemeente had haar toezeggingen dienen na te komen, en door dit niet te doen heeft zij “
onrechtmatig jegens [eiseressen 2 en 3] gehandeld (schending van het vertrouwensbeginsel).” Uit het dictum onder 8.3 blijkt ook dat onrechtmatig is gehandeld jegens [eiseressen 2 en 3] De verzamelnaam [eiseressen 2 en 3] omvat ook FlexHotels, zoals blijkt uit rov. 6.1 (tweede zin).
subonderdeel 1.5testen [eiseressen 2 en 3] een mogelijke lezing van het arrest. Voor zover het hof heeft geoordeeld dat de verhuur direct aan arbeidsmigranten plaatsvindt, is dat onvoldoende gemotiveerd in het licht van de voor de omvang van de schade essentiële stelling van [eiseressen 2 en 3] dat per chalet wordt verhuurd aan de werkgevers van arbeidsmigranten. [eiseressen 2 en 3] wijst op de volgende passages uit het arrest:
de chalets [werden] verhuurd voor de huisvesting van arbeidsmigranten.” Deze formulering duidt niet op directe verhuur aan arbeidsmigranten.
onderdeel 2vallen [eiseressen 2 en 3] (een gedeelte van) rov. 6.16 aan. Deze overweging luidt als volgt:
- nakoming toezegging (belangenafweging)
De gemeente is met haar toezeggingen een rechtens afdwingbare verbintenis aangegaan en diende haar toezeggingen dan ook na te komen. Door dit niet te doen, heeft zij onrechtmatig jegens [eiseressen 2 en 3] gehandeld (schending van het vertrouwensbeginsel).”
subonderdeel 2.1. In
subonderdeel 2.2volgen de klachten. Het oordeel geeft
ten eersteblijk van een onjuiste rechtsopvatting voor zover het hof heeft geoordeeld dat de niet-nakoming van de toezeggingen enkel onrechtmatig is. Een overheidslichaam is ook verplicht een toezegging na te komen. De inhoud van de toezegging is een rechtens afdwingbare verbintenis. Het oordeel is
ten tweede– en in ieder geval – onvoldoende begrijpelijk gemotiveerd, omdat in rov. 6.4 (eerste zin) en rov. 6.16 (eerste zin) het uitgangspunt nog wel is dat de gemeente een toezegging moet nakomen.
nietnakomen kwalificeert het hof als onrechtmatig (zie rov. 6.16 en ook rov. 6.20), waarbij het hof ook betrekt een schending van het vertrouwensbeginsel door de Gemeente (zie tussen haakjes aan het einde van rov. 6.16). [36] Dat is niet onjuist of onbegrijpelijk, ook niet in het licht van de door [eiseressen 2 en 3] aangewezen (delen van) overwegingen.
Tussen partijen gemaakte afspraken
Dit kan niet uit de door [eiseressen 2 en 3] overgelegde stukken en de door haar aangehaalde citaten worden afgeleid.Het hof begrijpt – evenals de rechtbank – de stellingen van [eiseressen 2 en 3] als een beroep op (eenzijdige) toezeggingen door de gemeente.”
subonderdeel 3.2stellen [eiseressen 2 en 3] dat het oordeel onvoldoende begrijpelijk gemotiveerd is. [eiseressen 2 en 3] wijzen op een aantal bij memorie van grieven ingenomen stellingen. In het licht van die stellingen en de ter adstructie daarvan overlegde producties valt zonder nadere motivering niet in te zien waarom [eiseressen 2 en 3] hun stellingen onvoldoende zouden hebben onderbouwd in het licht van de betwisting van de Gemeente. De inhoud van de toezeggingen is meermaals door de Gemeente gekwalificeerd als ‘afspraak’ of als gegeven ‘waarover partijen het eens zijn’. Het hof motiveert niet waarom er dan toch geen overeenkomst uit kan worden afgeleid, en bespreekt ook niet in het licht van welke betwistende stellingen van de Gemeente tot het oordeel wordt gekomen. Voor zover het hof het oordeel van de rechtbank heeft overgenomen, is dat oordeel eveneens onjuist althans onbegrijpelijk gemotiveerd, zo vervolgen [eiseressen 2 en 3] in
subonderdeel 3.3. Dit wordt in
subonderdeel 3.4aangevuld met de lezing dat voor zover het hof heeft geoordeeld dat de in subonderdeel 3.2 bedoelde stellingen niet (ook) in de context van een beroep op het bestaan van een overeenkomst zijn ingenomen, het hof een onbegrijpelijke uitleg heeft gegeven aan de processtukken.
Bij het voorgaande moet overigens worden bedacht dat het aannemen van een verbintenis vaak slechts van beperkt praktisch belang is. Het is niet nodig voor zover het niet nakomen van de toezegging als een onrechtmatige daad kan worden beschouwd, en het de wederpartij erom te doen is nakoming van de toezegging af te dwingen dan wel schadevergoeding wegens niet-nakoming te verkrijgen; deze vorderingen kunnen immers op art. 3:296 BW Pro en art. 6:162 BW Pro worden gebaseerd.”
waaromhet oordeel onvoldoende gemotiveerd dan wel onbegrijpelijk is. Met de door [eiseressen 2 en 3] geformuleerde klacht wordt de juistheid van het oordeel aangevallen, niet de motivering ervan. Dat miskent de beperkte toetsing in cassatie van een als feitelijk te kwalificeren oordeel van een feitenrechter over een uitleg van de processtukken, waaronder de mate van onderbouwing van een stelling. De klachten in de subonderdelen 3.3 en 3.4 gaan uit van een onjuiste lezing van het bestreden oordeel. Het hof neemt het oordeel van de rechtbank niet over, maar komt tot dezelfde conclusie, mede op basis van wat in hoger beroep hierover is aangevoerd. Verder lees ik in het aangevochten oordeel niet dat het hof zou hebben geoordeeld dat de stellingen niet zouden zijn ingenomen in de juiste context.