Conclusie
[eiser]respectievelijk
[verweerder]
1.Inleiding
2.Feiten
[betrokkene 1]), die op 7 juni 2004 is overleden. De andere erfgenamen hebben hun vorderingen op [verweerder] aan [eiser] gecedeerd.
provincie) gesproken over de overdracht (over en weer) van stukken grond. De provincie wenste een fietspad aan te leggen op een perceel van [betrokkene 1] en [betrokkene 1] wenste een perceel grond te verwerven, waarop hij een woonhuis met een champignonkwekerij kon bouwen. De gesprekken met [betrokkene 1] werden gevoerd door [betrokkene 3] , een ambtenaar van de provincie, namens de hoofdingenieur-directeur van de provinciale waterstaat (hierna: de
HID).
eerste overeenkomst). Een voorwaarde voor de geldigheid van dit soort overeenkomsten was dat Gedeputeerde Staten van de provincie (hierna:
Gedeputeerde Staten) de overeenkomst goedkeuren.
tweede overeenkomst).
“Het Hof heeft kennelijk geoordeeld dat het in dit kader kon volstaan met verwerping van [betrokkene 1] ’s[ [betrokkene 1] ., A-G]
stelling dat ten gevolge van het eigenmachtig nalaten door de desbetreffende ambtenaren van het vragen van goedkeuring van die overeenkomst het uitblijven van de vervulling van de opschortende voorwaarde aan de Provincie moest worden toegerekend.”De stellingen van [betrokkene 1] dat het Gedeputeerde Staten niet meer vrijstond de tweede overeenkomst niet goed te keuren mocht het hof – aldus de Hoge Raad – behandelen in het kader van de gestelde buitencontractuele aansprakelijkheid. Daarbij zijn ook de normen voor het afbreken van onderhandelingen van toepassing. De Hoge Raad vernietigde het arrest van het hof en verwees de procedure naar de rechtbank, om op de meer subsidiaire vorderingen van [betrokkene 1] – gebaseerd op buitencontractuele aansprakelijkheid – te beslissen.
Het besluit om de tweede overeenkomst terzijde te stellen is op het niveau van de H.I.D. genomen. Mogelijk is de tweede overeenkomst nog wel in een later stadium bij Gedeputeerde Staten aan de orde gesteld, maar dat zou ik moeten nagaan. Waarschijnlijk is alleen de eerste overeenkomst ter goedkeuring aan Gedeputeerde Staten voorgelegd.” In het eindvonnis van 19 december 1997 oordeelde de rechtbank ’s-Hertogenbosch dat de provincie aansprakelijk was voor de schade van [betrokkene 1] De begroting van de schade is verwezen naar de schadestaat en daarbij heeft de rechtbank ’s-Hertogenbosch overwogen:
“dat naar voorlopig oordeel van de rechtbank [betrokkene 1][ [betrokkene 1] , A-G]
aanspraak zal kunnen maken op zijn zg. positieve contractsbelang, doch [betrokkene 1][ [betrokkene 1] ]
wel ter schadebeperking, toen de onwillige houding van de Provincie voortduurde, op een gegeven moment naar een ander perceel voor zijn bedrijf had moeten omzien.”
[betrokkene 1][ [betrokkene 1] , A-G]
heeft immers tegen het eindvonnis van de Rechtbank waarbij zijn primaire vordering is afgewezen, geen request civiel ingesteld. Gezien het gesloten stelsel van rechtsmiddelen is het gevolg daarvan, zoals [betrokkene 1][sr.]
zelf in zijn schriftelijke toelichting in cassatie al heeft doen opmerken, dat ook bij het slagen van het door hem ingestelde request civiel tegen het tussenvonnis dit eindvonnis in stand zal blijven.” (r.o. 4.2.).
had kunnen en behoren te voorzien dat, als hij al in het gelijk zou worden gesteld, effectuering van zijn rechten een tijdrovende kwestie zou kunnen worden.[...]
Overigens is het niet zo dat daarmee bedoeld wordt dat [betrokkene 1][ [betrokkene 1] ]
tot handelen verplicht was, maar alleen dat hij bij niet handelen de daaruit voortvloeiende schade voor eigen rekening behoort te nemen. Het gaat niet aan eindeloos af te wachten op kosten van de wederpartij.” Op 18 maart 2011 hebben de erven [betrokkene 1] een schikking getroffen met de provincie.
[verweerder 1]) schriftelijk aan [eiser] meegedeeld dat de verjaring van de vordering op [betrokkene 2] (hierna:
[betrokkene 2]) niet tijdig was gestuit. [verweerder 1] was op dat moment verbonden aan het advocatenkantoor [verweerster 2] B.V.
3.Procesverloop
In eerste aanleg
De voorwaarde wordt gehouden voor vervuld, indien de schuldenaar, die zich onder dezelve verbonden heeft, de vervulling der voorwaarde heeft verhinderd.” Dit artikel vindt volgens [eiser] toepassing omdat de HID de tweede overeenkomst niet heeft voorgelegd aan Gedeputeerde Staten. Hierdoor heeft de provincie de vervulling van het goedkeuringsvoorbehoud van Gedeputeerde Staten verhinderd en is de tweede overeenkomst wel tot stand gekomen, aldus [eiser] .
vonnis) af en veroordeelt hem, uitvoerbaar bij voorraad, in de proces- en nakosten. Ter motivering overweegt zij als volgt. Het kansschade-leerstuk is hier van toepassing (r.o. 4.5). Er is alleen sprake van schade indien [betrokkene 2] het request civiel op juiste wijze had ingesteld, de procedure tegen de provincie zou zijn heropend en de vordering tot nakoming van de tweede overeenkomst of tot schadevergoeding wegens niet-nakoming zou zijn toegewezen (r.o. 4.6). Art. 1296 BW Pro (oud) vindt hier echter geen toepassing, omdat het tot beslissing bevoegde orgaan, Gedeputeerde Staten, geen bemoeienis heeft gehad met het niet tot stand komen van de tweede overeenkomst. De HID heeft immers eigenmachtig besloten de tweede overeenkomst niet ter goedkeuring voor te leggen. [betrokkene 1] heeft er daarom niet op mogen vertrouwen dat de tweede overeenkomst de goedkeuring van Gedeputeerde Staten had (r.o. 4.8). De rechtbank volgt [eiser] ook niet in zijn stelling dat art. 1296 BW Pro (oud) van toepassing is gelet op het oordeel van de rechtbank ’s-Hertogenbosch in haar vonnis van 19 december 1997 (zie 2.8 hiervoor) dat Gedeputeerde Staten hun goedkeuring aan de tweede overeenkomst niet hadden mogen onthouden. In de aanvankelijke procedure tegen de provincie zijn hof en Hoge Raad ervan uitgegaan dat deze stelling aan bod zou moeten komen in het kader van de meer subsidiaire, op onrechtmatige daad gebaseerde, vordering van [betrokkene 1] (zie 2.7 hiervoor). Weliswaar zijn hof en Hoge Raad er hier van uitgegaan dat sprake was van een bewust besluit van Gedeputeerde Staten om goedkeuring aan de tweede overeenkomst te onthouden, maar het ligt niet voor de hand dat anders zou zijn geoordeeld als toen duidelijk zou zijn geweest dat van een bewust besluit geen sprake was, maar van eigenmachtig handelen van de HID. In beide scenario’s gaat het immers om de vraag of de provincie was gebonden aan de tweede overeenkomst ondanks het ontbreken van goedkeuring van Gedeputeerde Staten. Niet valt in te zien wat het gestelde bedrog in dit opzicht voor verschil zou hebben gemaakt (r.o. 4.9). De rechtbank komt tot het oordeel dat het request civiel niet tot het door [eiser] gewenste resultaat zou hebben geleid. Daarom is geen sprake van schade als gevolg van de beroepsfout van [verweerder 1] . De vordering tot schadevergoeding wijst de rechtbank daarom af (r.o. 4.10). Er is geen zelfstandig belang bij de gevraagde verklaring voor recht. Ook die vordering wordt daarom afgewezen (r.o. 4.11).
hof). Bij memorie van grieven heeft [eiser] , onder aanvoering van een viertal grieven, geconcludeerd tot vernietiging van het vonnis en het alsnog toewijzen van zijn vorderingen. [verweerder] heeft de grieven bij memorie van antwoord bestreden en geconcludeerd tot bekrachtiging van het vonnis.
arrest), waarin het hof het vonnis bekrachtigt en [eiser] veroordeelt in de kosten van het appel. Hiertoe overweegt het hof als volgt, waarbij ik de overwegingen die in cassatie van belang zijn hierna telkens citeer.
De voorwaarde wordt gehouden voor vervuld, indien de schuldenaar, die zich onder dezelve verbonden heeft, de vervulling der voorwaarde heeft verhinderd.” [eiser] beroept zich op dat artikel, maar dat betoog gaat niet op.
de inhoud welke aan het in artikel 1296 bepaalde Pro[…]
veelal wordt gegeven”.
alsde HID eigenmachtig de tweede overeenkomst niet aan Gedeputeerde Staten had voorgelegd
dat danhet beroep op art. 1296 BW Pro (oud) had moeten slagen (r.o. 5.9). Verder wijst het hof erop dat Gedeputeerde Staten wel op de hoogte zijn gesteld van het bestaan van het onderhandelingsresultaat over de tweede overeenkomst, ook al had de HID deze niet voorgelegd. [eiser] heeft er namelijk in 1979 in brieven aan de provincie melding van gemaakt en de HID zelf heeft in 1981 een schriftelijke toelichting gegeven aan Gedeputeerde Staten, waarin hij betwist dat een overeenkomst is gesloten, maar wel erkende dat gesproken is met [betrokkene 1] over de overdracht van het desbetreffende perceel. Hierin zagen Gedeputeerde Staten nooit aanleiding de tweede overeenkomst goed te keuren of daarover (opnieuw) met [betrokkene 1] in onderhandeling te treden. Er zijn geen aanwijzingen dat als de HID de tweede overeenkomst wel had voorgelegd, Gedeputeerde Staten die zouden hebben goedgekeurd (r.o. 5.10).
4.Bespreking van het cassatiemiddel
in casu, het niet aan Gedeputeerde Staten voorleggen van een overeenkomst waarin een voorbehoud gemaakt is van instemming van dat orgaan. Ook gezien deze verantwoordelijkheid van Gedeputeerde Staten behoeft
in casugeen grote terughoudendheid betracht te worden, aldus steeds het subonderdeel.
De gekozen redactie geeft aan de bepaling de inhoud welke aan het in artikel 1296 bepaalde Pro, op grond van de strekking dier bepaling, veelal reeds wordt gegeven[…]
” [11] En: “
Artikel 6.1.5.3 beoogt niet meer dan enige aanwijzingen te geven voor wat uit de eisen van redelijkheid en billijkheid kan voortvloeien, op dezelfde wijze als de huidige rechtspraak het huidige artikel 1296 BW Pro opvat.” [12] Gelet hierop is met de invoering van art. 6:23 BW Pro beoogd aan dat artikel hetzelfde toepassingsbereik te geven als reeds gold voor artikel 1296 BW Pro (oud).
Gemeente Almere/ […] c.s., waarover hierna nog meer, heeft de Hoge Raad in dit verband overwogen dat:
Vitesse I [15] volgt dat vertrouwen op uitlatingen en gedragingen van een orgaan dat niet bevoegd is niet snel gehonoreerd mag worden, omdat dit de interne bevoegdheidsverdeling raakt. [16]
Gemeente Almere/ […] c.s.was sprake van (diverse concepten van) een intentieovereenkomst tussen de gemeente Almere en de uitbater van een supermarkt over de vestiging van een tijdelijke supermarkt. Deze concepten bepaalden steeds dat de overeenkomst is aangegaan onder de opschortende voorwaarde dat het college van B&W de overeenkomst goedkeurt. Wanneer de overeenkomst uiteindelijk ter goedkeuring wordt voorgelegd aan het college van B&W, stelt het college twee aanvullende voorwaarden.
Hof van Twentewas het oordeel anders, namelijk dat de gemeente niet gebonden was. Daar ging het om een overeenkomst tussen de gemeente Hof van Twente en de uitbater van vakantieparken over de realisatie van een bungalowpark. Voorwaardelijk voor deze overeenkomst was dat de gemeenteraad zou instemmen met het vereiste nieuwe bestemmingsplan. Nadat de gemeenteraad dit bestemmingsplan afwees, is de gemeente in rechte betrokken. Het hof oordeelt onder meer dat de redelijkheid en billijkheid meebrengen dat de aan de realisatieovereenkomst verbonden voorwaarde van toestemming van de gemeenteraad als vervuld (indien sprake is van een opschortende voorwaarde) respectievelijk niet vervuld (indien sprake is van een ontbindende voorwaarde) geldt.
Vitesse IIvolgt – kort gezegd – dat hetgeen de Hoge Raad in
Hof van Twenteoverwoog ten aanzien van de bevoegdheidsverdeling tussen gemeenteraad en het college van B&W ook geldt voor de bevoegdheidsverdeling tussen Provinciale Staten en Gedeputeerde Staten:
Vitesse I,A-G] is overwogen, vloeit uit de Provinciewet voort dat de gedeputeerden zonder delegatie of goedkeuring achteraf door Provinciale Staten, niet bevoegd waren de Provincie door de onderhavige toezegging te binden. In HR 26 juni 2015, ECLI:NL:HR:2015:1737 (Hof van Twente) is overwogen – overigens ten aanzien van een contractueel bedongen voorwaarde van goedkeuring door de gemeenteraad – dat in het stelsel van de Gemeentewet groot gewicht toekomt aan de bevoegdheidsverdeling tussen B&W en de gemeenteraad. In het stelsel van de Provinciewet heeft hetzelfde te gelden ten aanzien van de bevoegdheidsverdeling tussen gedeputeerden en Provinciale Staten. In het stelsel van de Gemeentewet heeft de Raad een autonome positie; in het stelsel van de Provinciewet geldt datzelfde voor Provinciale Staten. Daarom moet grote terughoudendheid worden betracht bij het aannemen van gebondenheid van (een gemeente dan wel) een provincie zonder instemming van het terzake volgens de wet bevoegde orgaan, in dit geval Provinciale Staten.” [19]
Hof van Twenteen
Vitesse IIvolgt dat bij de beantwoording van de vraag of de betreffende publiekrechtelijke rechtspersoon gebonden is aan een overeenkomst groot gewicht toekomt aan de interne bevoegdheidsverdeling van de publiekrechtelijke rechtspersoon. Deze bevoegdheidsverdeling kan voortvloeien uit de wet, maar ook uit een contractuele goedkeuringsvoorwaarde. In gevallen van een goedkeuringsbevoegdheid van de gemeenteraad en Provinciale Staten geldt dat deze organen (volksvertegenwoordiging) uit hoofde van de interne bevoegdheidsverdeling een autonome positie hebben, zodat grote terughoudendheid moet worden betracht bij het aannemen van gebondenheid van de gemeente of provincie. Vanwege de zelfstandige beslissingsvrijheid van de gemeenteraad en Provinciale Staten kan een wederpartij er niet op vertrouwen dat handelingen van het college van B&W of Gedeputeerde Staten hun instemming hebben, indien dat vertrouwen niet mede is ontleend aan toedoen van die organen zelf.
in casude Gedeputeerde Staten. In
Gemeente Almere/ […] c.s.was wel sprake van een goedkeuringsvoorbehoud van het uitvoerend bestuur van de gemeente: het college van B&W. Ook in dat arrest heeft de Hoge Raad een maatstaf gegeven voor de toepassing van art. 6:23 BW Pro. Op basis daarvan meen ik dat de voorliggende kwestie verder toegespitst kan worden naar de vraag of de maatstaf in dat arrest een andere is dan die in
Hof van Twenteen
Vitesse II. Als dat zo is, heeft het hof inderdaad de onjuiste maatstaf toegepast.
Gemeente Almere/ […] c.s.contrasteer met
Hof van Twenteen
Vitesse IIkom ik evenwel tot de conclusie dat de maatstaven in die arresten elkaar niet of nauwelijks ontlopen.
Hof van Twenteen
Vitesse IIkomt dit duidelijk naar voren in het belang dat de Hoge Raad hecht aan de interne bevoegdheidsverdeling tussen het uitvoerend bestuur en de volksvertegenwoordiging, waaruit een positie voor de volksvertegenwoordiging volgt die volkomen autonoom is van het dagelijks bestuur.
Gemeente Almere/ […] c.s.heeft de Hoge Raad in mijn optiek uiting gegeven aan eenzelfde autonome positie voor het college van B&W door in r.o. 3.5.4.4 te overwegen dat (i) de overeenkomst ertoe strekte het college van B&W de mogelijkheid te geven de overeenkomst zelfstandig te beoordelen en (ii) daaraan zou worden tekortgedaan wanneer de gemeente ondanks het uitblijven van goedkeuring toch aan de overeenkomst gebonden zou zijn. Verder acht de Hoge Raad van belang (iii) dat in de praktijk de burgemeesters en wethouders ieder eigen portefeuilles hebben en eigen ambtelijke diensten aansturen en (iv) hier beoogd is dat het voltallige college van B&W met het onderhandelingsresultaat instemt. Hieruit volgt mijns inziens dat de Hoge Raad belang hecht aan de positie van het college van B&W als politiek orgaan. Tevens volgt hieruit dat het college van B&W op basis van het contractuele goedkeuringsvoorbehoud een formele positie in het besluitvormingsproces had en dat beoogd was het college van B&W een zelfstandige beslissingsvrijheid te bieden met betrekking tot de vraag of de gemeente zich al dan niet zou moeten binden aan de betreffende overeenkomst. De terughoudendheid die dient te worden betracht bij het oordeel dat het goedkeuringsvoorbehoud van het college van B&W ondanks het ontbreken van goedkeuring is vervuld is daarop terug te voeren. Dat in
Hof van Twenteen
Vitesse IIgesproken wordt van een ‘grote terughoudendheid’ en in
Gemeente Almere/ […] c.s.slechts van ‘terughoudendheid’ maakt mijns inziens geen materieel verschil.
Gemeente Almere/ […] c.s.als
Hof van Twenteen
Vitesse IIafleid dat het vertrouwen dat het beslisbevoegde overheidsorgaan instemt met de overeenkomst, steeds moet zijn terug te voeren op toedoen van het beslisbevoegde orgaan zelf. In de twee laatstgenoemde arresten heeft de Hoge Raad dit met zoveel woorden overwogen. Hoewel dit aspect niet met zoveel woorden is te vinden in
Gemeente Almere/ […] c.s., heeft de Hoge Raad het niettemin in zijn beoordeling betrokken. In r.o. 3.5.4.5 en 3.5.4.6 van dat arrest (zie 4.16 hiervoor) lees ik namelijk terug dat het hof volgens de Hoge Raad terecht belang hechtte aan (kennelijk) toedoen van het college van B&W. Kort gezegd blijkt daaruit dat […] c.s. ervan mochten uitgaan dat de voorliggende tekst van de overeenkomst ook naar het oordeel van het college van B&W voldoende tegemoet kwam aan de wensen van de gemeente.
Gemeente Almere/ […] c.s.ook aandacht besteedt aan de andere rol die de gemeenteraad (doorgaans) inneemt in het onderhandelingsproces. De Hoge Raad overweegt immers: “
Weliswaar gaat het hier niet om een bestuursorgaan dat, zoals bijvoorbeeld de gemeenteraad, op afstand staat van de onderhandelingen, maar om het orgaan dat direct daarbij is betrokken.” [20] Dat doet volgens de Hoge Raad evenwel geen afbreuk van de maatstaf van terughoudendheid, omdat, zoals hiervoor is aangehaald, in de praktijk de leden van het college van B&W eigen portefeuilles hebben, eigen ambtelijke diensten aansturen en in dat geval beoogd was dat het voltallige college van B&W zou instemmen met het onderhandelingsresultaat. Hiermee heeft de Hoge Raad, zoals gezegd, oog gehad voor het college van B&W als politiek orgaan dat autonoom tot een beslissing moet kunnen komen. De grotere afstand die de gemeenteraad (of Provinciale Staten) in de regel heeft tot het onderhandelingsproces heeft mijns inziens weliswaar geen invloed op de maatstaf die in dergelijke gevallen geldt voor de toepassing van art. 6:23 BW Pro, maar kan wel dienen als (mede) verklarend voor de uiteenlopende uitkomsten van
Gemeente Almere/ […] c.s.en
Hof van Twente: juist omdat de gemeenteraad en Provinciale Staten in de regel meer op afstand staan zal minder snel voorkomen dat uit hun toedoen gebondenheid van de gemeente kan worden afgeleid. Dit ligt anders voor het college van B&W en Gedeputeerde Staten, juist omdat zij dichter op het vuur zitten.
Gemeente Almere/ […] c.s.en anderzijds
Hof van Twenteen
Vitesse IIover het algemeen niet voorgesteld als twee verschillende maatstaven. Snijders wijst bij de uiteenlopende uitkomsten in
Gemeente Almere/ […] c.s.en
Hof van Twenteerop dat in eerstgenoemd arrest het bevoegde orgaan had ingestemd met onderhandelingen op basis van een goedkeuringsvoorbehoud, terwijl in laatstgenoemd arrest het bevoegde orgaan geen vertrouwen had gewekt. [21] Ook Van der Grinten en De Groot & Meijering wijzen op het belang van dit onderscheid. [22] Huisman & Van Ommeren menen dat het ‘een wezenlijk verschil’ maakt welk soort orgaan de bevoegdheid heeft het besluit te nemen tot het verrichten van de publiekrechtelijke rechtshandeling. Ter verklaring van de uiteenlopende uitkomsten in
Gemeente Almere/ […] c.s.en
Hof van Twentemenen zij dat niet uit het oog dient te worden verloren dat de gemeenteraad meer op afstand staat van de door de functionarissen gevoerde onderhandelingen; in eerstgenoemd arrest werd er in het bijzonder van uitgegaan dat het college van B&W tamelijk nauw bij de onderhandelingen betrokken was, terwijl van een dergelijke nauwe betrokkenheid van de gemeenteraad in
Hof van Twentegeen sprake was. [23] Smits heeft een gelijkluidende opvatting. [24] Hoekstra legt er de nadruk op dat in
Gemeente Almere/ […] c.s.het college van B&W, juist omdat het ‘dichter op de onderhandelingen zat’ wel een bepaald vertrouwen had gewekt en dat de arresten in zoverre goed op elkaar aansluiten. [25] Spanjaard heeft eenzelfde opvatting. [26] Soliana karakteriseert
Gemeente Almere/ […] c.s.als ‘casuïstisch’, maar identificeert geen onderscheid in de gehanteerde maatstaven. [27] Ook Fokkema spreekt niet van een dergelijk onderscheid. [28]
Gemeente Almere/ […] c.s.en
Hof van Twenteuiteenlopen. Eerstgenoemde meent dat de Hoge Raad nog iets meer gewicht lijkt toe te kennen aan de autonome positie van de gemeenteraad dan aan die van het college van B&W. [29] De Vries wijst erop dat
Gemeente Almere/ […] c.s.een ‘pittige inbreuk’ vormt op het besluitvormingsproces van de overheid, waarin verschillende particuliere en algemene belangen tegen elkaar moeten worden afgewogen. Verder wijst hij erop dat uit
Hof van Twentevolgt dat de zelfstandige beslissingsvrijheid van de gemeenteraad met zich brengt dat, anders dan het geval was in
Gemeente Almere/ […] c.s., de wederpartij geen vertrouwen mag ontlenen aan handelingen van het college van B&W. [30]
Gemeente Almere/ […] c.s.en
Hof van Twenteelkaar niet of nauwelijks ontlopen, en dat de verklaring voor de uiteenlopende uitkomsten in die arresten moet worden gezocht in de feitelijke situatie en dat in dat verband relevant kan zijn dat het uitvoerend bestuur van de betreffende overheid in de regel dichter betrokken is bij de onderhandelingen en dat orgaan daarom eerder het vertrouwen kan hebben gewekt dat het instemt met de overeenkomst.
/Noord-Brabant I). [31]
[betrokkene 1] /Noord-Brabant Iis gewezen voordat [betrokkene 1] in 1997 ontdekte dat, anders dan de provincie beweerde in de procedure waarin dat arrest werd gewezen, de tweede overeenkomst niet ter goedkeuring was voorgelegd aan Gedeputeerde Staten. Dit – het door [betrokkene 1] gestelde bedrog – heeft onmiskenbaar doorgewerkt in de oordeelsvorming van de Hoge Raad in
/Noord-Brabant I, want de Hoge Raad oordeelt in r.o. 3.4 dat Gedeputeerde Staten hun goedkeuring “
onthouden” zouden hebben aan de tweede overeenkomst, terwijl deze overeenkomst in werkelijkheid in het geheel niet ter goedkeuring is voorgelegd aan Gedeputeerde Staten. Het hof miskent met zijn oordelen in r.o. 5.11 en 5.12 dat het te onderzoeken had wat – in het hypothetische geval dat geen beroepsfout was gemaakt bij het instellen van het request civiel en [betrokkene 1] met dit request civiel succes had gehad – de uitkomst zou zijn geweest van het opnieuw te voeren geding tussen [betrokkene 1] en de provincie, in welk nieuw geding het vertrekpunt zou zijn geweest dat de tweede overeenkomst niet ter goedkeuring was voorgelegd aan Gedeputeerde Staten (de werkelijke gang van zaken), aldus nog steeds het onderdeel.
[betrokkene 1] /Noord-Brabant Iin zijn visie geen heroverweging behoeft. Immers, aangezien in de visie van het hof art. 1296 BW Pro (oud) geen toepassing vindt, behoeft de stelling van [betrokkene 1] dat het Gedeputeerde Staten niet vrij stond instemming te onthouden dan ook alleen behandeld te worden in de context van de buitencontractuele aansprakelijkheid van de provincie, zoals de Hoge Raad ook overwoog in
/Noord-Brabant I. Met andere woorden: ik begrijp het hof zo dat ook indien het request civiel op de juiste wijze was ingesteld, deze stelling van [eiser] (na herroeping) slechts zou zijn meegewogen in het kader van de vorderingen die zagen op buitencontractuele aansprakelijkheid. Onbegrijpelijk is dat overigens niet.
[betrokkene 1] /Noord-Brabant I. Die rechtsoverweging vormt immers een conclusie (“
Het hof volgt op grond van het hiervoor overwogene [eiser] niet in zijn betoog dat (na herroeping) het beroep van [betrokkene 1] op artikel 1296 BW Pro[oud] zou slagen.”) die berust op de daaraan voorafgaande rechtsoverwegingen (meer in het bijzonder: r.o. 5.4 – 5.11).
[betrokkene 1] /Noord-Brabant I. Dit betekent dat het onderdeel bij gebrek aan feitelijke grondslag niet tot cassatie kan leiden.
uit het voorgaande” zou volgen dat [betrokkene 1] en [eiser] geen schade zouden hebben geleden die zou kunnen worden toegerekend aan de beroepsfout van [betrokkene 2] onjuist en/of onbegrijpelijk is. Het hof zou hebben miskend dat het een schatting moest maken van de goede en kwade kansen op een hogere schadevergoeding indien het request civiel was ingesteld zonder dat daarbij een beroepsfout was gemaakt. Dit klemt temeer omdat de rechtbank in r.o. 4.5 van haar vonnis tot het oordeel is gekomen dat op die wijze moet worden beoordeeld of, en zo ja, in welke mate, schade is geleden, zodat het hof, omdat hiertegen geen grief was gericht, vanwege de negatieve zijde van devolutieve werking aan dit oordeel was gebonden, aldus het subonderdeel.
dat de rechter de schade moet vaststellen door te beoordelen hoe de appelrechter, indien wel (tijdig) hoger beroep was ingesteld, had behoren te beslissen, althans dat de rechter het toewijsbare bedrag aan schadevergoeding moet schatten aan de hand van de goede en kwade kansen die de cliënt in het hoger beroep zou hebben gehad.” [36]
Uit het voorgaande volgt dat [betrokkene 1] en [eiser] geen schade hebben geleden die aan de beroepsfout van [betrokkene 2] kan worden toegerekend.” Ook als het request civiel op juiste wijze was ingesteld, had [eiser] geen kans gehad op een beter resultaat.