Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van het cassatiemiddel
3.Beslissing
27 februari 2024.
Hoge Raad
In deze zaak ging het om een klaagschrift van klagers tegen beslag op een personenauto en een geldbedrag, gelegd op een derde partij die verdachte was in een witwaszaak. De rechtbank Rotterdam verklaarde het klaagschrift niet-ontvankelijk omdat het niet binnen drie maanden na het einde van de strafzaak was ingediend, waarbij zij het klaagschrift kwalificeerde als bedoeld in artikel 552a Sv.
De Hoge Raad oordeelde dat de rechtbank dit klaagschrift onjuist had beoordeeld. Omdat het beslag onderdeel was van een transactie op grond van artikel 74 Sr Pro tussen de verdachte en het Openbaar Ministerie, was het klaagschrift aan te merken als een klaagschrift in de zin van artikel 552ab Sv, zoals dat gold vóór de Wet OM-afdoening. De termijn voor het indienen van een dergelijk klaagschrift begint pas te lopen nadat de verdachte aan de voorwaarden van de transactie heeft voldaan of de klager daarvan op de hoogte is.
De rechtbank had ten onrechte het klaagschrift niet-ontvankelijk verklaard op grond van de termijn zoals bedoeld in artikel 552a Sv. De Hoge Raad vernietigde daarom de beschikking en verwees de zaak terug naar de rechtbank Rotterdam voor een nieuwe beoordeling en afdoening van het klaagschrift.
Deze uitspraak verduidelijkt de toepassing van de termijnen voor klaagschriften in situaties waarin beslag onderdeel is van een transactie ter voorkoming van strafvervolging, en bevestigt dat de oude regeling onder artikel 552ab Sv in dergelijke gevallen van toepassing blijft.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt de niet-ontvankelijkverklaring van het klaagschrift en wijst de zaak terug voor herbeoordeling.