Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van het eerste en het tweede cassatiemiddel
3.Beslissing
29 maart 2022.
Hoge Raad
De zaak betreft een klaagschrift van klaagster tegen het beslag op een auto die op naam van haar stond, maar waarvan de zoon verdachte was in een strafzaak wegens witwassen en vuurwapenbezit. De zoon accepteerde een transactie op grond van artikel 74 Sr Pro, waarbij hij afstand deed van de auto. De rechtbank verklaarde het klaagschrift ongegrond omdat niet aannemelijk was dat klaagster als rechthebbende van de auto kon worden aangemerkt.
De Hoge Raad oordeelt dat de rechtbank ten onrechte het klaagschrift als bedoeld in artikel 552b Sv heeft opgevat, terwijl artikel 552ab Sv van toepassing is bij transacties ex artikel 74 Sr Pro. Desondanks leidt dit formele gebrek niet tot cassatie, omdat de rechtbank de juiste maatstaf heeft gehanteerd bij de beoordeling van het klaagschrift.
De rechtbank heeft beoordeeld dat de enkele stelling van klaagster dat zij de auto heeft gefinancierd onvoldoende bewijs is voor rechthebbendheid, mede gelet op de gang van zaken bij de aankoop en de nauwe familierechtelijke band. De Hoge Raad bevestigt dat de rechtbank geen onjuiste rechtsopvatting heeft gegeven en verklaart het beroep ongegrond.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en het klaagschrift wordt ongegrond verklaard omdat niet aannemelijk is dat klaagster rechthebbende is van de auto.