Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van het eerste cassatiemiddel
3.Beoordeling van het tweede cassatiemiddel
4.Ambtshalve beoordeling van de uitspraak van het hof
5.Beslissing
9 januari 2024.
Hoge Raad
De zaak betreft het cassatieberoep van een verdachte die werd veroordeeld voor medeplegen van het opzettelijk telen van hennep in een woning samen met haar echtgenoot. Het hof had vastgesteld dat verdachte gedurende twee maanden haar echtgenoot meerdere keren per week vervoerde naar de woning met de hennepkwekerij en daar tevens dagelijkse huishoudelijke werkzaamheden verrichtte om de indruk te wekken dat de woning alleen voor bewoning werd gebruikt.
De verdachte voerde in hoger beroep aan dat haar gedragingen niet verder gingen dan het verschaffen van gelegenheid en dat zij geen wezenlijke bijdrage had geleverd aan de hennepteelt. Het hof oordeelde echter dat sprake was van een nauwe en bewuste samenwerking, waarbij de verdachte een bijdrage van voldoende gewicht had geleverd aan het delict. De Hoge Raad bevestigt deze motivering en wijst op de criteria voor medeplegen zoals vastgesteld in eerdere jurisprudentie.
Daarnaast constateert de Hoge Raad dat de redelijke termijn voor de behandeling van het cassatieberoep is overschreden, maar ziet geen aanleiding voor een andere rechtsgevolg dan de constatering hiervan. Het cassatieberoep wordt verworpen en het arrest van het hof blijft in stand.
Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt de veroordeling van verdachte voor medeplegen van het telen van hennep en verwerpt het cassatieberoep.