Conclusie
Nummer22/02758
Inleiding
“medeplegen van schuldwitwassen”veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 120 uren (te vervangen door 60 dagen hechtenis), met aftrek conform artikel 27 lid 1 Sr Pro. Daarnaast is de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaard in de vordering tot schadevergoeding.
De zaak
De bewezenverklaring van het onder 5 ten laste gelegde
De bewijsconstructie van het hof
Rekeningnummer [rekeningnummer 3] t.n.v. [bedrijf 2]
Afschrijvingen
De verdachte was vanaf 2 mei 2016 eigenaar van de eenmanszaak met KvK-nummer [KvK nummer] met als handelsnamen [bedrijf 3] en [bedrijf 3].
De verdachte had twee zakelijke bankrekeningen geopend, te weten [rekeningnummer 3] ten name van [bedrijf 2] (hierna ook: [rekeningnummer 3]) en [rekeningnummer 4] ten name van [bedrijf 3] (hierna ook: [rekeningnummer 4]).
De verdachte had een privébankrekening met nummer [rekeningnummer 1] (hierna ook: de privérekening).
De verdachte heeft de bankpassen van de rekeningen [rekeningnummer 3] en [rekeningnummer 4] afgegeven aan [medeverdachte 1] en [medeverdachte 1].
De verdachte kreeg af en toe een bankpasje terug om met de bank te bellen. Hij moest dan de limiet verhogen.
De verdachte heeft de bankpas van zijn privérekening af en toe aan [medeverdachte 1] en [medeverdachte 1] gegeven.
In de periode van 11 mei 2016 tot en met 4 juli 2016 werd [rekeningnummer 3] alleen gevoed door stortingen afkomstig van [bedrijf 1] en contante stortingen. In totaal werd er in deze periode een bedrag van € 92.369,00 gestort door [bedrijf 1].
Op 31 mei 2016 werd er van [rekeningnummer 3] een bedrag van € 7.000,00 overgeschreven naar een derdengeldenrekening met omschrijving “Huurachterstand/Lening [medeverdachte 1] restant volgt”.
Op 22 juni 2016 werd er van [rekeningnummer 3] een bedrag van € 865,00 overgeschreven naar het CJIB met betalingskenmerk “[...] [medeverdachte 1] [...]”.
In de periode van 11 april 2016 tot en met 6 juni 2016 is op de privérekening van de verdachte in totaal een bedrag van € 11.130,00 bijgeschreven afkomstig van [bedrijf 1].
In de periode van 31 mei 2016 tot en met 6 juli 2016 is er op de privérekening van de verdachte in totaal een bedrag van € 9.861,99 bijgeschreven afkomstig van [bedrijf 2].
Op 4 juli 2016 werd er vanaf de privérekening van de verdachte een bedrag van in totaal € 600,00 overgemaakt op een bankrekening ten name van de vrouw van [medeverdachte 1].
In de periode van 3 mei 206 tot en met 2 juni 2016 werd er van de privérekening van de verdachte een bedrag van in totaal € 9.900,00 overgeschreven naar een derdengeldenrekening met daarbij de omschrijving “[betrokkene 1]-[medeverdachte 1] en voorschot Huurachterstand [medeverdachte 1] [b-straat]”.
Het tweede middel en de toelichting daarop
Het beoordelingskader inzake ‘medeplegen’
De bespreking van het tweede middel
een eenmanszaak[heeft]
geopend, twee zakelijke bankrekeningen[heeft]
geopend, de bankpasjes van deze rekeningen[heeft]
verstrekt aan [medeverdachte 1] en [medeverdachte 1], het pasje van zijn privérekening af en toe[heeft]
afgegeven aan [medeverdachte 1] en [medeverdachte 1] en de bank[heeft]
gebeld om de limiet op de rekening(en) te verhogen”. Daaruit leidt het hof af dat de verdachte handelingen heeft verricht ‘zonder welke het witwassen niet kon plaatsvinden’ en dat hij een essentiële rol heeft vervuld in het optrekken van een rookgordijn dat de herkomst van de gelden verdoezelt. Deze handelingen zijn van voldoende gewicht om de kwalificatie medeplegen te rechtvaardigen. Verder overweegt het hof dat de verdachte nauw en bewust heeft samengewerkt met [medeverdachte 1] en [medeverdachte 1].
Het eerste middel en de toelichting daarop
de verdachte(en dus niet al dan niet tezamen met de medeverdachten) deze niet voorhanden heeft gehad en geen verhullingshandelingen heeft verricht, dat dit oordeel strijdig is met de overige vaststellingen van het hof en dat dit evenmin uit de bewijsmiddelen kan worden afgeleid. Voor wat betreft de bankrekening [rekeningnummer 3] geldt dat de verdachte hierover niet heeft kunnen beschikken vanwege het afstaan van de bankpas, zoals ook door het hof overwogen, en ten aanzien van de privérekening van de verdachte geldt dat hij de bankpas af en toe heeft afgestaan zodat hij niet altijd de beschikking heeft gehad over deze bankrekening en bovendien onbekend is wie de in de bewezenverklaring bedoelde geldbedragen heeft overgeboekt.
hij die van een voorwerp de werkelijke aard, de herkomst, de vindplaats, de vervreemding of de verplaatsing verbergt of verhult, dan wel verbergt of verhult wie de rechthebbende op een voorwerp is of het voorhanden heeft, terwijl hij redelijkerwijs moet vermoeden dat het voorwerp – onmiddellijk of middellijk – afkomstig is uit enig misdrijf;”
Stb.2001, 606, tot wijziging van het Wetboek van Strafrecht en enkele andere wetten in verband met de strafbaarstelling van het witwassen van opbrengsten van misdrijven van belang. Deze wetsgeschiedenis houdt onder meer de volgende passages in:
Bij de in het eerste lid, onderdeel a, strafbaar gestelde gedraging gaat het om al die handelingen die tot doel hebben en geschikt zijn om de werkelijke aard, herkomst, vindplaats enzovoort van een voorwerp te verbergen of verhullen. De strafbaarstelling geeft niet nader aan om welke handelingen het allemaal kan gaan; bepalend voor de strafbaarheid is het effect van het handelen. De termen «verbergen» en «verhullen» impliceren dus een zekere doelgerichtheid: het handelen is erop gericht het zicht op de aard, herkomst, vindplaats enz. van voorwerpen te bemoeilijken en is ook geschikt om dat doel te bereiken. Veelal zal bij een enkele handeling ten aanzien van een voorwerp nog niet van een dergelijk doelgerichtheid kunnen worden gesproken. Vaak zal het gaan om een reeks van handelingen, die tezamen een geval van witwassen opleveren. Dit betekent dat voor het bewijs van het verbergen of verhullen vaak naar meer handelingen (transacties) in het witwastraject zal moeten worden gekeken. Uit alle stappen tezamen moet duidelijk worden dat er (zonder redelijke economische grond) met geld is geschoven op een manier die geschikt is het spoor aan de waarneming te onttrekken. Juist die ondoorzichtigheid van de opeenvolgende transacties brengt mee dat werkelijke aard, herkomst, vindplaats, rechten enzovoort buiten beeld blijven. Het voorgaande sluit niet uit dat onder omstandigheden ook een enkele handeling verbergen of verhullen zou kunnen opleveren, hoewel in zo'n geval waarschijnlijk eerder gesproken kan worden van een van de gedragingen genoemd in het eerste lid, onderdeel b, van de artikelen 420bis en 420quater (...).
De bespreking van het eerste middel
tezamen en in vereniging met anderen, van voorwerpen, te weten – geldbedragen tot een totaal van 92.369 euro, en – geldbedragen tot een totaal van 10.500 euro heeft verhuld wie de rechthebbende is (…
)”.
“[betrokkene 1]-[medeverdachte 1] en voorschot Huurachterstand [medeverdachte 1] [b-straat]”. [18]
voorhanden heeft gehad en ten aanzien van die geldbedragen verhullingshandelingen heeft verricht doordat door de overboekingen het zicht op de herkomst van de gelden werd bemoeilijkt”.
de gelden afkomstig van [bedrijf 1] voorhanden heeft gehad” is dit niet zonder meer begrijpelijk nu het hof de verdachte van dit ‘voorhanden hebben’ heeft vrijgesproken.
verhullingshandelingen heeft verricht doordat door de overboekingen het zicht op de herkomst van de gelden werd bemoeilijkt”.
de verdachteten aanzien van de geldbedragen verhullingshandelingen heeft verricht (middels de overboekingen) niet zonder meer begrijpelijk is gelet op de overige vaststellingen van het hof over het afgeven van de bankpas van de bankrekening [rekeningnummer 3], het af en toe afgeven van de bankpas van zijn privérekening en het feit dat uit de bewijsmiddelen niet kan worden afgeleid dat het verdachte is geweest die de geldbedragen tot een totaal van € 10.500,- heeft overgeboekt. Ook daarover klaagt de steller van het middel terecht.
tezamen en in vereniging met anderen” van voornoemde geldbedragen “
heeft verhuld wie de rechthebbende is”. Uit de bewijsvoering kan m.i. worden afgeleid dat voornoemde geldbedragen zijn overgeboekt en dat de verdachte daartoe voldoende nauw en bewust met de medeverdachten heeft samengewerkt (zie de bespreking van het tweede middel). Verder zijn deze overboekingen erop gericht het zicht op de rechthebbende van de geldbedragen te bemoeilijken en zijn de gedragingen geschikt om dat doel te bereiken. Zulks volgt uit het gebruik van een vehikel in de vorm van een eenmanszaak die geen handelsactiviteiten ontplooit ([bedrijf 2]) en van de verhullende omschrijvingen bij geldtransacties zoals opgenomen in de bewijsmiddelen. Aldus beschouwd dekt de bewijsvoering de bewezenverklaring.
herkomstvan de geldbedragen. Mocht ik dit goed zien, dan zijn de bewezenverklaring en de bewijsvoering daarmee nog niet onbegrijpelijk. Het oordeel dat de verdachte tezamen en in vereniging met de medeverdachten heeft verhuld wie de rechthebbende is van de bewezen verklaarde geldbedragen, is immers (zoals ik hierboven heb betoogd) toereikend gemotiveerd omdat zulks inderdaad uit de bewijsmiddelen kan worden afgeleid.