ECLI:NL:HR:2024:348

Hoge Raad

Datum uitspraak
12 maart 2024
Publicatiedatum
7 maart 2024
Zaaknummer
23/01619
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 98 lid 4 SvArt. 552a SvArt. 94 Sv
Verwijzingen
4 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkverklaring cassatieberoep inzake beklag over beslag en verschoningsrecht bij fraudeonderzoek voedselketen

In deze zaak heeft de Hoge Raad het cassatieberoep van de klager niet-ontvankelijk verklaard. Het betrof een beklag ex artikel 98 lid 4 juncto Pro artikel 552a Wetboek van Strafvordering tegen een beschikking van de rechtbank Oost-Brabant over de toelaatbaarheid van beslag op digitale gegevens van een onderneming waarbij de klager betrokken is. De verdenking betrof grootschalige fraude in de voedselketen.

De kern van het geschil was of de klager, die niet verschoningsgerechtigd is, beroep kon doen op het beklag tegen het beslag. De rechtbank had geoordeeld dat het beklag niet openstond voor niet-verschoningsgerechtigde klagers. De Hoge Raad bevestigde deze uitleg en nam het cassatieberoep niet in behandeling.

De motivering van de Hoge Raad is opgenomen in een samenhangende beschikking (ECLI:NL:HR:2024:312). De uitspraak benadrukt de strikte toepassing van het verschoningsrecht in het kader van beslaglegging en de beperkte mogelijkheden voor derden om daartegen op te komen. De beschikking is uitgesproken door de vice-president en twee raadsheren tijdens een openbare terechtzitting op 12 maart 2024.

Uitkomst: Het cassatieberoep van de klager wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van verschoningsgerechtigdheid.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer23/01619 Bv
Datum12 maart 2024
BESCHIKKING
op het beroep in cassatie tegen een beschikking van de rechtbank Oost-Brabant, economische kamer, van 7 maart 2023, nummer RK 22/020754, op een klaagschrift als bedoeld in artikel 98 lid 4 in Pro verbinding met artikel 552a van het Wetboek van Strafvordering, ingediend
door
[klager] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1981,
hierna: de klager.

1.Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de klager. Namens deze heeft Th.J. Kelder, advocaat te ‘s-Gravenhage, bij schriftuur een cassatiemiddel voorgesteld. De schriftuur is aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit.
De advocaat-generaal A.E. Harteveld heeft geconcludeerd dat de Hoge Raad de klager niet-ontvankelijk zal verklaren in het ingestelde cassatieberoep.

2.Beoordeling van het cassatiemiddel en van de ontvankelijkheid van het beroep

2.1
Het cassatiemiddel klaagt over de beslissing van de rechtbank tot niet-ontvankelijkverklaring van het beklag.
2.2
Het cassatiemiddel is tevergeefs voorgesteld. Dit brengt mee dat de Hoge Raad het cassatieberoep van de klager niet in behandeling kan nemen. De redenen daarvoor staan vermeld in de beschikking die de Hoge Raad vandaag heeft uitgesproken in de zaak 23/01617 Bv, ECLI:NL:HR:2024:312.

3.Beslissing

De Hoge Raad verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
Deze beschikking is gegeven door de vice-president M.J. Borgers als voorzitter, en de raadsheren A.L.J. van Strien en T. Kooijmans, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van
12 maart 2024.