ECLI:NL:HR:2024:356

Hoge Raad

Datum uitspraak
12 maart 2024
Publicatiedatum
7 maart 2024
Zaaknummer
23/01636
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 552a SvArt. 94 SvArt. 81 lid 1 Wet op de rechterlijke organisatie
Verwijzingen
6 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Cassatieberoep inzake beklag over beslag op digitale en fysieke goederen bij verdenking grootschalige fraude voedselketen

Klaagster, een rechtspersoon, heeft cassatieberoep ingesteld tegen een beschikking van de rechtbank Oost-Brabant inzake een klaagschrift op grond van artikel 552a Sv, gerelateerd aan beslag op digitale en fysieke goederen in het kader van een verdenking van grootschalige fraude in de voedselketen.

De Hoge Raad heeft overwogen dat het cassatieberoep niet in behandeling kan worden genomen voor zover het betrekking heeft op het verschoningsrecht van twee advocaten- en notarissenkantoren, omdat hierover reeds onherroepelijk is beslist. Dit betreft de ontvankelijkheid van het beroep.

Ten aanzien van het beslag op fysieke goederen oordeelt de Hoge Raad dat het middel faalt en verwijst naar eerdere uitspraken. De Hoge Raad vernietigt het bestreden besluit gedeeltelijk en wijst de zaak terug aan de rechtbank voor herbeoordeling van het beklag met betrekking tot de teruggave van fysieke goederen aan de redelijkerwijs rechthebbende. Voor het overige wordt het beroep verworpen.

De beschikking is uitgesproken door de vice-president en twee raadsheren, waarbij het oordeel geen nadere motivering behoeft vanwege het ontbreken van belang voor de eenheid of ontwikkeling van het recht.

Uitkomst: Het cassatieberoep is niet-ontvankelijk voor het deel over het verschoningsrecht en voor het overige verworpen met gedeeltelijke vernietiging en terugwijzing over teruggave fysieke goederen.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer23/01636 Bv
Datum12 maart 2024
BESCHIKKING
op het beroep in cassatie tegen een beschikking van de rechtbank Oost-Brabant, economische kamer, van 7 maart 2023, nummer RK 21/001483, op een klaagschrift als bedoeld in artikel 552a van het Wetboek van Strafvordering, ingediend
door
[klaagster ] B.V. (volgens opgave KvK: [klaagster ] B.V.),
gevestigd te [vestigingsplaats] ,
hierna: de klaagster.

1.Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de klaagster. Namens deze heeft Th.J. Kelder, advocaat te 'sGravenhage, bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld. De schriftuur is aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit.
De advocaat-generaal A.E. Harteveld heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden beschikking, maar uitsluitend wat betreft de last tot teruggave van het fysieke beslag aan de redelijkerwijs rechthebbende en terugwijzing van de zaak naar de rechtbank Oost-Brabant, zittingsplaats ’s-Hertogenbosch, teneinde op het bestaande beklag opnieuw te worden beoordeeld en afgedaan; tot niet-ontvankelijkverklaring van de klaagster in haar beroep voor zover het de klachten over het verschoningsrecht betreft; en tot verwerping van het beroep voor het overige.
2. Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep naar aanleiding van het tweede cassatiemiddel
2.1
Het cassatieberoep is onder meer gericht tegen de beslissing van de rechtbank tot ongegrondverklaring van het beklag voor zover de klager daaraan ten grondslag heeft gelegd dat zich – ook na een schifting onder leiding van de rechter-commissaris – onder het beslag (digitale) stukken en gegevens bevinden ten aanzien waarvan een bevoegdheid tot verschoning kan worden uitgeoefend.
2.2
Op de gronden die zijn vermeld in de beschikking die de Hoge Raad vandaag heeft uitgesproken in de zaak 23/01615 Bv, ECLI:NL:HR:2024:316, rechtsoverweging 2.3 en 2.4, kan de Hoge Raad het cassatieberoep van de klaagster tegen de onder 2.1 genoemde beslissing niet in behandeling nemen voor zover dit betrekking heeft op het verschoningsrecht van [klaagster 1] of van [klaagster 2] N.V. Het cassatiemiddel moet daarom in zoverre onbesproken blijven.

3.Beoordeling van het derde cassatiemiddel

3.1
Het cassatiemiddel klaagt over de beslissing van de rechtbank dat “de fysieke goederen” moeten worden teruggegeven aan “de redelijkerwijs rechthebbende”.
3.2
Het cassatiemiddel is tevergeefs voorgesteld. De redenen daarvoor staan vermeld in de beschikking die de Hoge Raad vandaag heeft uitgesproken in de zaak 23/01627 Bv, ECLI:NL:HR:2024:313.

4.Beoordeling van de cassatiemiddelen voor het overige

De Hoge Raad heeft ook de overige de klachten over de uitspraak van de rechtbank beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van Pro de Wet op de rechterlijke organisatie).

5.Beslissing

De Hoge Raad:
- verklaart het beroep tegen de onder 2.1 genoemde beslissing van de rechtbank niet-ontvankelijk voor zover die beslissing betrekking heeft op het verschoningsrecht van [klaagster 1] of van [klaagster 2] N.V.;
- verwerpt het beroep voor het overige.
Deze beschikking is gegeven door de vice-president M.J. Borgers als voorzitter, en de raadsheren A.L.J. van Strien en T. Kooijmans, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van
12 maart 2024.