ECLI:NL:HR:2024:357

Hoge Raad

Datum uitspraak
12 maart 2024
Publicatiedatum
7 maart 2024
Zaaknummer
23/01639
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 98 lid 4 SvArt. 552a SvArt. 94 Sv
Verwijzingen
4 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkverklaring cassatieberoep inzake beklag over beslag en verschoningsrecht advocaten

In deze zaak heeft de klaagster, een rechtspersoon binnen een onderneming die wordt verdacht van grootschalige fraude in de voedselketen, beroep in cassatie ingesteld tegen een beschikking van de rechtbank Oost-Brabant. Deze beschikking betrof de niet-ontvankelijkverklaring van een beklag op grond van artikel 98 lid 4 in Pro verbinding met artikel 552a Sv, over de toelaatbaarheid van beslag op digitale stukken en gegevens.

De kern van het geschil was of het beklag openstond voor de klaagster, die niet verschoningsgerechtigd is als advocaat. De rechtbank oordeelde dat het beklag niet openstond voor niet-verschoningsgerechtigde klagers, en verklaarde het beklag niet-ontvankelijk. De klaagster stelde hiertegen cassatieberoep in.

De Hoge Raad heeft het cassatiemiddel beoordeeld en geoordeeld dat het middel faalt omdat de klaagster niet-ontvankelijk is in het cassatieberoep. De redenen hiervoor zijn nader uitgewerkt in een samenhangende beschikking (ECLI:NL:HR:2024:312). De Hoge Raad verklaart het beroep derhalve niet-ontvankelijk en neemt het cassatieberoep niet in behandeling.

Uitkomst: Het cassatieberoep van de klaagster wordt niet-ontvankelijk verklaard en niet in behandeling genomen.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer23/01639 Bv
Datum12 maart 2024
BESCHIKKING
op het beroep in cassatie tegen een beschikking van de rechtbank Oost-Brabant, economische kamer, van 7 maart 2023, nummer RK 22/020746, op een klaagschrift als bedoeld in artikel 98 lid 4 in Pro verbinding met artikel 552a van het Wetboek van Strafvordering, ingediend
door
[klaagster] B.V. (volgens opgave KvK: [klaagster] B.V.),
gevestigd te [vestigingsplaats] ,
hierna: de klaagster.

1.Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de klaagster. Namens deze heeft Th.J. Kelder, advocaat te ‘s–Gravenhage, bij schriftuur een cassatiemiddel voorgesteld. De schriftuur is aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit.
De advocaat-generaal A.E. Harteveld heeft geconcludeerd dat de Hoge Raad de klaagster niet-ontvankelijk zal verklaren in het ingestelde cassatieberoep.

2.Beoordeling van het cassatiemiddel en van de ontvankelijkheid van het beroep

2.1
Het cassatiemiddel klaagt over de beslissing van de rechtbank tot niet-ontvankelijkverklaring van het beklag.
2.2
Het cassatiemiddel is tevergeefs voorgesteld. Dit brengt mee dat de Hoge Raad het cassatieberoep van de klaagster niet in behandeling kan nemen. De redenen daarvoor staan vermeld in de beschikking die de Hoge Raad vandaag heeft uitgesproken in de zaak 23/01617 Bv, ECLI:NL:HR:2024:312.

3.Beslissing

De Hoge Raad verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
Deze beschikking is gegeven door de vice-president M.J. Borgers als voorzitter, en de raadsheren A.L.J. van Strien en T. Kooijmans, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van
12 maart 2024.