ECLI:NL:HR:2024:359

Hoge Raad

Datum uitspraak
12 maart 2024
Publicatiedatum
7 maart 2024
Zaaknummer
23/01641
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 98 lid 4 SvArt. 552a SvArt. 94 Sv
Verwijzingen
4 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkverklaring cassatieberoep inzake beklag over beslag en verschoningsrecht

In deze zaak heeft klaagster B.V. beroep in cassatie ingesteld tegen een beschikking van de rechtbank Oost-Brabant die haar klaagschrift op grond van artikel 98 lid 4 in Pro verbinding met artikel 552a Sv niet-ontvankelijk verklaarde. Het klaagschrift betrof de toelaatbaarheid van beslag op digitale stukken en gegevens onder een onderneming waarvan klaagster deel uitmaakt, in het kader van een verdenking van grootschalige fraude in de voedselketen.

De Hoge Raad heeft het cassatiemiddel van klaagster beoordeeld en geoordeeld dat het middel faalt omdat het beklag ex artikel 98 lid 4 Sv Pro niet openstaat voor een niet-verschoningsgerechtigde klager. Dit betekent dat klaagster niet het recht heeft om op deze grond beklag te maken tegen het beslag. De Hoge Raad verwijst naar eerdere redenen zoals vermeld in een gerelateerde beschikking (ECLI:NL:HR:2024:312).

Als gevolg hiervan neemt de Hoge Raad het cassatieberoep niet in behandeling en verklaart het beroep niet-ontvankelijk. De uitspraak is gedaan door de vice-president en twee raadsheren tijdens een openbare terechtzitting op 12 maart 2024.

Uitkomst: Het cassatieberoep van klaagster wordt niet-ontvankelijk verklaard omdat zij niet-verschoningsgerechtigd is en geen beklagrecht heeft.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer23/01641 Bv
Datum12 maart 2024
BESCHIKKING
op het beroep in cassatie tegen een beschikking van de rechtbank Oost-Brabant, economische kamer, van 7 maart 2023, nummer RK 22/020751, op een klaagschrift als bedoeld in artikel 98 lid 4 in Pro verbinding met artikel 552a van het Wetboek van Strafvordering, ingediend
door
[klaagster] B.V.,
gevestigd te [vestigingsplaats] ,
hierna: de klaagster.

1.Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de klaagster. Namens deze heeft Th.J. Kelder, advocaat te ‘s–Gravenhage, bij schriftuur een cassatiemiddel voorgesteld. De schriftuur is aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit.
De advocaat-generaal A.E. Harteveld heeft geconcludeerd dat de Hoge Raad de klaagster niet-ontvankelijk zal verklaren in het ingestelde cassatieberoep.

2.Beoordeling van het cassatiemiddel en van de ontvankelijkheid van het beroep

2.1
Het cassatiemiddel klaagt over de beslissing van de rechtbank tot niet-ontvankelijkverklaring van het beklag.
2.2
Het cassatiemiddel is tevergeefs voorgesteld. Dit brengt mee dat de Hoge Raad het cassatieberoep van de klaagster niet in behandeling kan nemen. De redenen daarvoor staan vermeld in de beschikking die de Hoge Raad vandaag heeft uitgesproken in de zaak 23/01617 Bv, ECLI:NL:HR:2024:312.

3.Beslissing

De Hoge Raad verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
Deze beschikking is gegeven door de vice-president M.J. Borgers als voorzitter, en de raadsheren A.L.J. van Strien en T. Kooijmans, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van
12 maart 2024.