ECLI:NL:HR:2024:517

Hoge Raad

Datum uitspraak
5 april 2024
Publicatiedatum
4 april 2024
Zaaknummer
22/01507
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 31, lid 1, letter f, Wet LB 1964
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt ongegrondverklaring cassatieberoep inzake loonheffingen pensioenstelsel

Belanghebbende heeft beroep in cassatie ingesteld tegen het arrest van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 15 maart 2022, waarin het hoger beroep van de Inspecteur en het incidentele hoger beroep van belanghebbende werden behandeld. Het geschil betreft de vraag of een betaalde tegemoetkoming in verband met de wijziging van het pensioenstelsel kan worden aangemerkt als eindheffingsloon in de zin van artikel 31, lid 1, letter f, Wet LB 1964.

De Hoge Raad heeft het cassatieberoep beoordeeld aan de hand van de motieven die ook in een gelijktijdig arrest (nummer 22/01503, ECLI:NL:HR:2024:387) zijn uiteengezet. Op grond daarvan faalden de middelen van belanghebbende. De Hoge Raad bevestigt hiermee de eerdere uitspraken van lagere instanties en laat de bestreden uitspraak in stand.

De Advocaat-Generaal had reeds geconcludeerd tot ongegrondverklaring van het cassatieberoep, waarop belanghebbende schriftelijk heeft gereageerd. De Hoge Raad ziet geen aanleiding om proceskosten aan belanghebbende toe te wijzen en verklaart het beroep in cassatie ongegrond. Het arrest is op 5 april 2024 in het openbaar uitgesproken.

Uitkomst: Het cassatieberoep van belanghebbende wordt ongegrond verklaard en het arrest van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden bevestigd.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
BELASTINGKAMER
Nummer22/01507
Datum5 april 2024
ARREST
in de zaak van
[X3] (hierna: belanghebbende)
tegen
de STAATSSECRETARIS VAN FINANCIËN
op het beroep in cassatie tegen de uitspraak van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 15 maart 2022, nrs. 20/01051 en 20/01052 [1] , op het hoger beroep van de Inspecteur en het incidentele hoger beroep van belanghebbende tegen een uitspraak van de Rechtbank Gelderland (nrs. AWB 19/108 en 19/109) betreffende het door belanghebbende afgedragen bedrag aan loonheffingen over het tijdvak juli 2017.

1.Geding in cassatie

Belanghebbende, vertegenwoordigd door H.M.M. Prinsen en E.P. Hageman, heeft tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Staatssecretaris, vertegenwoordigd door [P] , heeft een verweerschrift ingediend.
Belanghebbende heeft een conclusie van repliek ingediend.
De Advocaat-Generaal C.M. Ettema heeft op 7 juli 2023 geconcludeerd tot ongegrondverklaring van het beroep in cassatie. [2]
Belanghebbende heeft schriftelijk op de conclusie gereageerd.

2.Beoordeling van de middelen

De middelen falen op de gronden die zijn vermeld in het arrest dat de Hoge Raad vandaag heeft uitgesproken in de zaak met nummer 22/01503, ECLI:NL:HR:2024:387.

3.Proceskosten

De Hoge Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

4.Beslissing

De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie ongegrond.
Dit arrest is gewezen door de vice-president J.A.R. van Eijsden als voorzitter, en de raadsheren M.W.C. Feteris, J. Wortel, M.T. Boerlage en A.E.H. van der Voort Maarschalk, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier F. Treuren, en in het openbaar uitgesproken op 5 april 2024.

Voetnoten

2.ECLI:NL:PHR:2023:671, met gemeenschappelijke bijlage ECLI:NL:PHR:2023:699.