ECLI:NL:HR:2024:517
Hoge Raad
- Cassatie
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt ongegrondverklaring cassatieberoep inzake loonheffingen pensioenstelsel
Belanghebbende heeft beroep in cassatie ingesteld tegen het arrest van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 15 maart 2022, waarin het hoger beroep van de Inspecteur en het incidentele hoger beroep van belanghebbende werden behandeld. Het geschil betreft de vraag of een betaalde tegemoetkoming in verband met de wijziging van het pensioenstelsel kan worden aangemerkt als eindheffingsloon in de zin van artikel 31, lid 1, letter f, Wet LB 1964.
De Hoge Raad heeft het cassatieberoep beoordeeld aan de hand van de motieven die ook in een gelijktijdig arrest (nummer 22/01503, ECLI:NL:HR:2024:387) zijn uiteengezet. Op grond daarvan faalden de middelen van belanghebbende. De Hoge Raad bevestigt hiermee de eerdere uitspraken van lagere instanties en laat de bestreden uitspraak in stand.
De Advocaat-Generaal had reeds geconcludeerd tot ongegrondverklaring van het cassatieberoep, waarop belanghebbende schriftelijk heeft gereageerd. De Hoge Raad ziet geen aanleiding om proceskosten aan belanghebbende toe te wijzen en verklaart het beroep in cassatie ongegrond. Het arrest is op 5 april 2024 in het openbaar uitgesproken.
Uitkomst: Het cassatieberoep van belanghebbende wordt ongegrond verklaard en het arrest van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden bevestigd.