Conclusie
ADVOCAAT-GENERAAL
1.Ten geleide
HR BNB 2022/97 [6] merkt het hof op dat daaraan niet afdoet dat de buitenlandse werkgever de vergoedingen en verstrekkingen niet heeft aangewezen.
HR BNB 2022/97zo moet worden geïnterpreteerd dat bij toepassing van art. 3.84(2) Wet IB 2001 slechts voor de vrije ruimte geen aanwijzing hoeft plaats te vinden, en dat daaruit volgt dat de aanwijzing voor de overige vergoedingen en verstrekkingen nog steeds vereist is. Mocht dat anders zijn, dan betoogt het middel subsidiair dat een aanwijzing alleen kan worden aangenomen bij vergoedingen, verstrekkingen en terbeschikkingstellingen waarvan vaststaat dat die blijven binnen de voorwaarden en grensbedragen van de desbetreffende gerichte vrijstellingen. [7] Daarvan is in dit geval geen sprake, aldus het middel.
2.De context van het begrip ‘aanwijzen’ in de Wet LB
de door de inhoudingsplichtige aangewezen (gedeelten van) vergoedingen en verstrekkingen, voor zover de omvang daarvan voldoet aan de gebruikelijkheidstoets. [11] Art. 31(1)g Wet LB bevat een bepaling voor de vergoedingen en verstrekkingen in een situatie van vroegere arbeid. Eindheffingsbestanddelen zijn dan (i) (kort gezegd) kortingen op de branche-eigen producten van het bedrijf van de inhoudingsplichtige of een daarmee verbonden vennootschap, of (ii) overige verstrekkingen, beide voor zover deze ook door de inhoudingsplichtige of een daarmee verbonden vennootschap worden verstrekt aan een of meer werknemers met inkomsten uit tegenwoordige arbeid die voor het overige in dezelfde omstandigheden verkeren. In art. 31(4) Wet LB staat een aantal categorieën beloningselementen die geen eindheffingsbestanddeel in de zin van art. 31(1)f en g Wet LB (kunnen) zijn.
loonis, en een veelheid aan bepalingen die – als aan de voorwaarden daarvan werd voldaan – tot resultaat hadden dat hetgeen vrijgesteld werd
geen loonis. Bij toepassing van de werkkostenregeling, waarbij een deel van de oude vrijstellingen in al dan niet gewijzigde vorm als gerichte vrijstelling is overgenomen en een deel heeft plaatsgemaakt voor de vrije ruimte [13] , is daarentegen al dat wordt aangewezen als eindheffingsbestanddeel in beginsel nog steeds loon [14] .
arbeid’) gebruikt wordt. Ten tweede volgt uit de wetsgeschiedenis [19] dat de werkkostenregeling in beginsel is bedoeld voor loon uit tegenwoordige arbeid, en dat letter g daarop een uitzondering vormt in het kader van in de praktijk veel voorkomende verstrekkingen aan postactieven en oud-werknemers (zoals het kerstpakket en de korting op producten eigen bedrijf, en sinds 1 januari 2021 ook scholingskosten).
3.Het begrip ‘aanwijzen’
vormvrij. In het rapport internetconsultatie voorafgaand aan de invoering van de werkkostenregeling staat dat voor de aanwijzing als eindheffingsbestanddeel geen bijzondere voorwaarden gelden, dat geen verzoek aan de Belastingdienst hoeft te worden gedaan, en dat de aanwijzing vaak zal zijn terug te voeren op arbeidsrechtelijke afspraken of zal zijn vastgelegd in de administratie van de werkgever. [24] Uiteindelijk mag de inhoudingsplichtige op zijn eigen manier aanwijzen, zolang het maar aannemelijk is dat hij dat heeft gedaan. De Belastingdienst kan ‘reflecteren’ op de door de werkgever gekozen manier en voorbeelden van correcte aanwijzing geven. [25] De vormvrijheid wordt niet steeds als een zegen ervaren; uit het rapport ‘Evaluatie werking Werkkostenregeling’ volgt dat voor inhoudingsplichtigen veelal niet duidelijk is hoe zij moeten aanwijzen [26] en medewerkers van de Belastingdienst stellen voor om de aanwijzing niet meer vormvrij te laten [27] .
vooraf, dat wil zeggen vóór het fiscale genietingstijdstip [28] (in de zin van art. 13a Wet LB). De werkgever bepaalt uiterlijk op het moment van uitbetalen of verstrekken of ter zake van een vergoeding of verstrekking sprake is van bij de werknemer te belasten loon of van een eindheffingsbestanddeel. Deze keuze is, gelet op de wetssystematiek,
definitief. [29] Ook in latere wetsgeschiedenis blijft dit uitgangspunt gehuldigd. [30] Op het punt van de wetssystematiek kom ik later nog terug.
geen individuele vastleggingenin de werknemersadministratie meer plaats te vinden. Een groot deel van de beoogde (helaas niet als zodanig ervaren [31] ) administratieve lastenverlichting van de werkkostenregeling houdt verband met dit kenmerk. [32] Het gaat dan voornamelijk om de vrijstellingen die in de vrije ruimte zijn opgenomen, die vóór invoering van de werkkostenregeling individuele voorwaarden hadden waarvoor vastleggingen in de administratie waren vereist. Bij gebruik van de gerichte vrijstellingen moeten nog wel vastleggingen in de administratie worden gedaan om te kunnen aantonen dat aan de voorwaarden van die gerichte vrijstellingen is voldaan.
geen individuele verloningplaatsvindt. Dat is een onderdeel van het voorgaande kenmerk, maar het is niet helemaal hetzelfde. Dit element wordt op diverse manieren verwoord, bijvoorbeeld: “buiten het bij de werknemer te belasten loon te (…) houden” [33] , “fiscaal buiten het beeld van de werknemer en zijn loonstrookje” [34] en “buiten het individuele loon van de werknemer houden” [35] .
HR BNB 2020/20). Die behandelen echter de vraag hoe de gebruikelijkheid van de aanwijzing getoetst moet worden en niet de aanwijzing als zodanig. De gebruikelijkheid is in de schikkingszaken niet zozeer aan de orde. In de pilootzaak is één van de vragen of de gebruikelijkheid had moeten worden getoetst, maar is de uitleg van de gebruikelijkheidstoets als zodanig niet onderwerp van geschil. Ook had de inhoudingsplichtige in de procedures die hebben geleid tot
HR BNB 2020/20, anders dan in de schikkingszaken, denkelijk de loonbestanddelen niet tot het individuele loon gerekend (er was immers eindheffing werkkostenregeling afgedragen).
HR BNB 2022/97 [43] lijkt te volgen dat voor de toepassing van art. 3.84(2) Wet IB 2001 – dat kort gezegd aan werknemers zonder inhoudingsplichtige werkgever de mogelijkheid biedt tot toepassing van de werkkostenregeling in de aangifte IB/PVV, hierover in onderdeel 6 meer – niet is vereist dat tegenover de verzilvering van de vrije ruimte aangewezen vergoedingen en verstrekkingen staan. De Hoge Raad overweegt dat in de situatie dat de werkgever niet inhoudingsplichtig is, in redelijkheid niet kan worden verwacht dat die werkgever zich richt naar het systeem van de Nederlandse loonbelasting. [44] Dit arrest biedt echter geen verdere aanknopingspunten over wat ‘aanwijzen’ is. Het belang van die zaak is in zoverre anders dan in de schikkingszaken, dat art. 3.84(2) Wet IB 2001 nooit tot daadwerkelijke eindheffing bij een werkgever zal leiden. Dit arrest is wel van groot belang voor de pilootzaak. In onderdeel 6 kom ik daarop nog terug.
condicio sine qua nonis om te kunnen spreken van een aangewezen loonbestanddeel. Daarvoor verwijs ik naar de volgende passage uit de wetsgeschiedenis: [67]
gevolg [74] is van de aanwijzing als eindheffingsbestanddeel. Immers, art. 27a Wet LB schrijft dwingend voor dat de loonbelasting over eindheffingsbestanddelen van de inhoudingsplichtige wordt geheven. Maar daaraan vooraf gaat de vraag of het loon in kwestie een eindheffingsbestanddeel is. Dat laatste wordt bepaald door art. 31(1)f Wet LB, dat enkel de voorwaarde stelt dat sprake is van een aanwijzing die niet ongebruikelijk is. Die bepaling vereist niet voor de aanwijzing dat de verwerking van de uitbetaling conform art. 27a Wet LB gaat. Met andere woorden: als een aangewezen vergoeding individueel wordt verloond, is deze daarmee niet niet-aangewezen, maar is de verwerking niet conform de aanwijzing gegaan.
isdie vergoeding een eindheffingsbestanddeel. En de loonbelasting over eindheffingsbestanddelen wordt van de inhoudingsplichtige geheven. Ervan uitgaande dat het tot het individuele loon rekenen van een vergoeding niet hoeft te betekenen dat die vergoeding niet is aangewezen, rijst de vraag of daarmee niet een ‘foute’ verloning plaatsvindt – in de zin dat loonbelasting over een eindheffingsbestanddeel van een werknemer wordt geheven.
4.Is de keuze om wel of niet aan te wijzen definitief?
voorafgaand aan het genietingstijdstip bedoeld in artikel 13aaangewezen vergoedingen en verstrekkingen (…)’.
condicio sine qua nonvan de vrije ruimte (de aanwijzing) worden voldaan.
prima facieaanwijzingen dat bij toepassing van de werkkostenregeling geen sprake is van brutering. Echter, aan het tarief van 80% is duidelijk ten grondslag gelegd dat het gaat om een gebruteerd tarief omdat de inhoudingsplichtige de heffing voor zijn rekening neemt: [96]
Rechtsbescherming omtrent de aanwijzing bij geschillen over de werkkostenregeling
- 1a) aanwijzing en verwerking als eindheffingsloon, contrair aan het standpunt van de inspecteur, in afwachting van een naheffingsaanslag.
- 1b) aanwijzing en verwerking als eindheffingsloon, contrair aan het standpunt van de inspecteur, met het verzoek om oplegging van een naheffingsaanslag.
- 1c) aanwijzing en verwerking als eindheffingsloon, met een bezwaar tegen de afdracht van loonbelasting.
- 2) geen aanwijzing als eindheffingsbestanddeel en een individuele verloning.
- 3) aanwijzing als eindheffingsbestanddeel en een (voorwaardelijke) individuele verloning.
uit de vaststellingsovereenkomstvoortvloeit dat de inhoudingsplichtige meent dat de 30%-regeling niet van toepassing is, en zij deze daarom niet zal toepassen. Dat de inhoudingsplichtige tot individuele verloning is overgegaan staat óók in de weg aan de toepassing van de werkkostenregeling, maar voor de aanwijzing is de vastlegging in de vaststellingsovereenkomst relevant. Het zijn immers twee niet te vereenzelvigen handelingen, waarbij de wijze van verloning slechts een vermoeden omtrent de aanwijzing kan geven. Een meer juiste duiding van deze uitspraak zou mijns inziens zijn dat, had de inhoudingsplichtige geprocedeerd om toch de werkkostenregeling toe te passen, daaraan de vastlegging in de vaststellingovereenkomst in de weg had kunnen staan.
6.Art. 3.84(2) Wet IB 2001
HR BNB 2022/97, waarnaar het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch in de pilootzaak ook verwijst, gaat het om een werknemer wiens werkgever niet inhoudingsplichtig is. Voor zover relevant gaat de zaak om de vraag of deze werknemer bij het doen van de aangifte IB/PVV aanspraak kan maken op een vrijstelling ter grootte van de vrije ruimte van de werkkostenregeling.
HR BNB 2022/97niet over de gebruikelijkheidstoets uitlaat, concludeert Mertens dat een aftrek ter grootte van de vrije ruimte mogelijk is, ongeacht of aan die toets is voldaan. [115] Over de aanwijzing in relatie tot de gerichte vrijstellingen merkt hij op:
HR BNB 2022/97, dit onderzoek ook door de werknemer gedaan kan worden (zie 6.13). De Redactie Vakstudie Nieuws lijkt deze mening in de in 6.12 genoemde reactie te delen.
als eindheffingsbestanddeel aan te merken”. Dat kan mijns inziens niet anders worden gelezen dan als ‘aan te
wijzen’. Het als voorwaarde voor toepassing van art. 3.84(2) Wet IB 2001 stellen dat vergoedingen en verstrekkingen zijn aangewezen, is volledig contrair aan het doel en de strekking van die bepaling, omdat het primaire probleem dat die bepaling beoogt op te lossen juist is dat de niet-inhoudingsplichtige werkgever niet kán aanwijzen, en de oplossing is dat aanwijzing door een imaginaire inhoudingsplichtige wordt gefingeerd.
HR BNB 2022/97merk ik op dat de Hoge Raad overweegt dat het niet voor de hand ligt dat de aftrek ter grootte van de vrije ruimte van de werkkostenregeling alleen kan worden verzilverd wanneer de werkgever vergoedingen en verstrekkingen heeft aangewezen. [121] Hoewel dat arrest alleen handelt over de vrije ruimte, ligt het voor de hand de werking van dat arrest door te trekken naar de gerichte vrijstellingen. Immers, (i) de vraag of is aangewezen is prealabel aan de vraag of een gerichte vrijstelling van toepassing is (zie 3.39), (ii) hetgeen met zich brengt dat dezelfde problematiek speelt (de werkgever kan niet aanwijzen), (iii) art. 31(1)f Wet LB maakt geen onderscheid tussen ‘vrije ruimte-eindheffingsbestanddelen’ en ‘gericht vrijgestelde eindheffingsbestanddelen’ en (iv) art. 3.84(2) Wet IB 2001 maakt dat onderscheid ook niet. Bovenal geldt de overweging [122] dat van de niet-inhoudingsplichtige niet kan worden verwacht dat deze zich richt naar het systeem van de Nederlandse loonbelasting, mijns inziens evengoed wanneer het gaat om de aanwijzing voor gerichte vrijstellingen.
HR BNB 2022/97dat niet van een niet-inhoudingsplichtige werkgever kan worden verwacht dat deze zich richt naar het systeem van de Nederlandse loonbelasting.
de factomoeilijker te maken om van de gerichte vrijstellingen gebruik te maken. Dat zou ook niet in lijn zijn met het doel van art. 3.84(2) Wet IB 2001, dat beoogt deze werknemers in dezelfde positie te brengen als werknemers wiens werkgever wel inhoudingsplichtig is.
aan te wijzenals eindheffingsbestanddeel. [131] Evenwel geldt dat als een vergoeding of verstrekking op zichzelf al ongebruikelijk [132] is, het eveneens niet gebruikelijk zal zijn dat deze wordt aangewezen als eindheffingsbestanddeel. [133]
HR BNB 2022/97wijdt de Hoge Raad geen overwegingen aan de gebruikelijkheidstoets. Zoals uit het geciteerde commentaar op dit arrest (6.10-6.13) volgt, zijn de meningen verdeeld of daaruit kan worden afgeleid dat de gebruikelijkheidstoets niet van toepassing is. Ik meen dat dat in ieder geval voor de aftrek ter grootte van de vrije ruimte uit het arrest kan worden afgeleid. De enige voorwaarde voor toekenning van die aftrek lijkt namelijk te zijn dat de werknemer een niet-inhoudingsplichtige werkgever heeft.
HR BNB 2020/20bevestigd zie) het gaat om de gebruikelijkheid van de
aanwijzingvan een vergoeding of verstrekking – zijnde de beslissing om de heffing voor rekening van de inhoudingsplichtige te laten komen – en niet om de gebruikelijkheid van de vergoeding of verstrekking als zodanig, ligt het in de rede dat de gebruikelijkheid van een aanwijzing enkel kan worden getoetst indien sprake is van een aanwijzing. Zoals ik eerder uiteenzette [142] , kan een niet-inhoudingsplichtige werkgever niet aanwijzen, en daarom fingeert art. 3.84(2) Wet IB 2001 een aanwijzing door een imaginaire inhoudingsplichtige. De stap van het aanwijzen wordt in feite overgeslagen en daarmee ook de daaraan verbonden gebruikelijkheidstoets.
de factoeen ruimer loonbegrip dan voor werknemers die een inhoudingsplichtige werkgever hebben. Art. 3.84(2) Wet IB 2001 tracht dus – met goede reden – een blinde vlek in de werkkostenregeling weg te nemen, maar het is juist de systematiek van de werkkostenregeling die de oplossing bemoeilijkt. De werknemer wordt via art. 3.84(2) Wet IB 2001 min of meer getransplanteerd naar de positie van de inhoudingsplichtige in de werkkostenregeling. Echter, zoals ik in al het voorgaande uiteenzette ontstaan er problemen als daarbij wordt geprobeerd op de inhoudingsplichtige geënte waarborgen en voorwaarden zoals de aanwijzing en de gebruikelijkheidstoets te continueren. De werknemer is nu eenmaal geen werkgever of inhoudingsplichtige.
HR BNB 2022/97, waarin de werknemer de door hem ‘verdiende vrije ruimte’ volledig als aftrek toegekend krijgt, ook al zou dat voor een werknemer die voor een Nederlandse inhoudingsplichtige werkt niet het geval zijn.