Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van het eerste en het tweede cassatiemiddel
“Hij die zich in het openbaar, mondeling of bij geschrift of afbeelding, opzettelijk beledigend uitlaat over een groep mensen wegens hun ras, hun godsdienst of levensovertuiging, hun hetero- of homoseksuele gerichtheid of hun lichamelijke, psychische of verstandelijke handicap, wordt gestraft met een gevangenisstraf van ten hoogste een jaar of geldboete van de derde categorie.”
2.4.2 In het licht van de geschiedenis van de totstandkoming van art. 137c Sr moet worden aangenomen dat het beledigen van een groep mensen wegens hun godsdienst alleen onder art. 137c Sr valt als men de mensen, behorend tot die groep, collectief treft in hetgeen voor die groep kenmerkend is, namelijk in hun godsdienst, en men hen beledigt juist omdat zij van dat geloof zijn. Vereist is dat de uitlating onmiskenbaar betrekking heeft op een bepaalde groep mensen die door hun godsdienst wordt gekenmerkt en zich daardoor onderscheidt van anderen (vgl. HR 10 maart 2009, ECLI:NL:HR:2009:BF0655).
2.4.3 Het, onder meer in art. 10 EVRM Pro gegarandeerde, recht op vrijheid van meningsuiting staat aan een strafrechtelijke veroordeling ter zake van groepsbelediging in de zin van art. 137c Sr niet in de weg indien zo een veroordeling een op grond van art. 10, tweede lid, EVRM toegelaten – te weten een bij de wet voorziene, een gerechtvaardigd doel dienende en daartoe een in een democratische samenleving noodzakelijke – beperking van de vrijheid van meningsuiting vormt. Bij de beoordeling van een uitlating in verband met de strafbaarheid daarvan wegens groepsbelediging in de zin van voormelde wettelijke bepaling, dient acht te worden geslagen op de bewoordingen van die uitlating alsmede op de context waarin zij is gedaan. Daarbij dient onder ogen te worden gezien of de gewraakte uitlating een bijdrage kan leveren aan het publiek debat of een uiting is van artistieke expressie. Tevens dient onder ogen te worden gezien of de uitlating in dat verband niet onnodig grievend is (vgl. HR 16 december 2014, ECLI:NL:HR:2014:3583).”
Verweren
De gewraakte uiting van de verdachte is niet onmiskenbaar gericht tegen een groep mensen wegens hun ras en/of godsdienst. De verdachte uitte met de kakkerlakvlag uitsluitend kritiek op het niet-naleven van het internationaal publiekrecht door de staat Israël en op de mensenrechtensituatie in de door Israël bezette Palestijnse gebieden. Dit wordt bevestigd door de context van de uiting, omdat de overige uitingen van de verdachte eveneens uitdrukkelijk de politiek van de staat Israël als enig onderwerp hadden. Met de door de verdachte bewerkte kakkerlakvlag wordt niets ten nadele uitgedrukt over het ras of de religie van Joden of Israëliërs. De staat Israël bevat vele bevolkingsgroepen en religieuze groepen. Bovendien zijn Joden niet een ras. De davidster kan niet als symbool van ‘de Joden’ worden aangemerkt, maar als symbool van de staat Israël. Daarnaast symboliseert de davidster het Joodse geloof en dus niet de personen die dat geloof belijden. Dat de verdachte zijn uiting expliciet en uitsluitend richtte op de staat Israël en/of haar regering blijkt uit het feit dat hij het symbool van het land – de nationale vlag – artistiek had bewerkt. Derhalve dient de verdachte te worden vrijgesproken van het hem tenlastegelegde.
3.Beslissing
16 april 2024.