ECLI:NL:HR:2024:590

Hoge Raad

Datum uitspraak
16 april 2024
Publicatiedatum
12 april 2024
Zaaknummer
22/03817
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 289 SrArt. 81 Wet ROArt. 6 lid 1 EVRM
Verwijzingen
5 uitgaand · 2 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Cassatie over medeplichtigheid aan moord bij liquidatie in Rotterdam-Kralingen

In deze zaak gaat het om een liquidatie in Rotterdam-Kralingen in 2018 waarbij het slachtoffer werd doodgeschoten op een druk kruispunt. De verdachte had een mobiele telefoon verstrekt met daarin een notitie met cruciale informatie over de identiteit, het adres en het vervoermiddel van het slachtoffer. Hierdoor kon een medeverdachte op klaarlichte dag met een automatisch wapen meerdere keren op het slachtoffer schieten, wat leidde tot diens overlijden en het raken van een bestelbus achter het slachtoffer.

De verdachte werd door het hof Den Haag veroordeeld voor medeplichtigheid aan moord op grond van artikel 289 Sr Pro. In cassatie stelde de verdachte meerdere klachten over het bewijs en de motivering, waaronder de vraag of het hof het opzet van de verdachte terecht had afgeleid uit het gevolg van zijn gedraging, en of het hof het ontbreken van een ontzenuwende verklaring terecht had betrokken bij het bewijs van opzet.

De advocaat-generaal concludeerde tot vernietiging van het arrest van het hof, maar alleen ten aanzien van de hoogte van de gevangenisstraf, met vermindering naar de gebruikelijke maatstaf, en verwerping van het beroep voor het overige. De Hoge Raad heeft de klachten van de verdachte beoordeeld en geoordeeld dat deze niet tot vernietiging van het arrest kunnen leiden. De Hoge Raad hoefde geen nadere motivering te geven omdat beantwoording van de vragen niet noodzakelijk was voor de eenheid of ontwikkeling van het recht.

De Hoge Raad wees tevens op de naleving van de redelijke termijn zoals bedoeld in artikel 6 lid 1 EVRM Pro, aangezien de uitspraak binnen twee jaar na het instellen van het cassatieberoep werd gedaan. Het beroep werd uiteindelijk verworpen en het arrest van het hof bleef in stand.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en de veroordeling voor medeplichtigheid aan moord blijft in stand met een aangepaste strafmaat.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer22/03817
Datum16 april 2024
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Den Haag van 11 oktober 2022, nummer 22-000014-21, in de strafzaak
tegen
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1990,
hierna: de verdachte.

1.Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze hebben R.J. Baumgardt en M.J. van Berlo, beiden advocaat te Rotterdam, bij schriftuur een cassatiemiddel voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De advocaat-generaal D.J.C. Aben heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft de hoogte van de gevangenisstraf, tot vermindering daarvan naar de gebruikelijke maatstaf en tot verwerping van het beroep voor het overige.
De raadslieden van de verdachte hebben daarop schriftelijk gereageerd.

2.Beoordeling van het cassatiemiddel

De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van Pro de Wet op de rechterlijke organisatie).

3.Ambtshalve beoordeling van de uitspraak van het hof

Naar aanleiding van de conclusie van de advocaat-generaal onder 25 merkt de Hoge Raad op dat in deze zaak uitspraak wordt gedaan binnen twee jaren na het instellen van het cassatieberoep. Dat brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 van Pro het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden niet is overschreden.

4.Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president M.J. Borgers als voorzitter, en de raadsheren A.L.J. van Strien en M. Kuijer, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van
16 april 2024.