ECLI:NL:HR:2024:667
Hoge Raad
- Cassatie
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt afwijzing ambtshalve vermindering pensioenbelastingaanslagen
Belanghebbende heeft van 1977 tot 2007 pensioen opgebouwd bij het United Nations Joint Pension Fund. Voor de jaren 2014 tot en met 2017 heeft hij pensioenuitkeringen aangegeven waarbij twee derde in box 1 en een derde in box 3 werd belast. Na het arrest van de Hoge Raad in 2019 verzocht belanghebbende de Inspecteur om ambtshalve vermindering van de aanslagen op basis van een gewijzigde fiscale behandeling van het pensioen.
De Inspecteur wees het verzoek af omdat de onjuistheid van de aanslagen voortvloeit uit nieuwe jurisprudentie die na het onherroepelijk worden van de aanslagen is gewezen, zoals bedoeld in artikel 45aa, letter b, van de Uitvoeringsregeling inkomstenbelasting 2001. De Rechtbank bevestigde dit standpunt.
In cassatie betoogde belanghebbende dat de onjuistheid voortvloeit uit een overgangsregeling die al van toepassing was toen de aanslagen onherroepelijk werden. De Hoge Raad oordeelde echter dat de Inspecteur redelijkerwijs mocht uitgaan van zijn standpunt ten tijde van het onherroepelijk worden van de aanslagen en dat de uitzondering op de nieuwe jurisprudentie-regel niet van toepassing is.
De Hoge Raad verklaarde het beroep in cassatie ongegrond en veroordeelde belanghebbende niet in de proceskosten. Hiermee blijft de afwijzing van het verzoek om ambtshalve vermindering in stand.
Uitkomst: Het beroep in cassatie wordt ongegrond verklaard en het verzoek om ambtshalve vermindering van de belastingaanslagen wordt afgewezen.