Uitspraak
1.Procesverloop
2.Uitgangspunten en feiten
3.Beoordeling van het middel
5.Vragen van uitleg
6. Uitlating partijen
7.Beslissing
17 mei 2024.
Hoge Raad
Deze zaak betreft de uitleg van het begrip 'bestuurder' in art. 4 lid 1 van Pro de Wet aansprakelijkheidsverzekering motorrijtuigen (WAM) en art. 12 lid 1 van Pro Richtlijn 2009/103/EG. Het geschil ontstond na een ernstig ongeval waarbij de inzittende, een voormalige trainer, tijdens het rijden plotseling de handrem aantrok, waardoor de bestuurder de controle over het voertuig verloor en een botsing veroorzaakte.
De rechtbank oordeelde dat de bestuurder vanaf het moment van het aantrekken van de handrem zijn hoedanigheid als bestuurder had verloren, waardoor de verzekeraar aansprakelijk was voor de schade. Het gerechtshof vernietigde dit oordeel en stelde dat de bestuurder zijn hoedanigheid behield, ook al was het voertuig oncontroleerbaar geworden door het ingrijpen van de inzittende.
De Hoge Raad stelt prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJEU) over de uitleg van de relevante bepalingen in de WAM en de Europese richtlijn. De vragen betreffen of de verplichte verzekering aansprakelijkheid moet dekken voor de schade van een aanvankelijke bestuurder die tijdens het rijden door een inzittende is overruled, en welke criteria de nationale rechter moet hanteren bij de beoordeling of de bestuurder zijn hoedanigheid heeft verloren.
De Hoge Raad geeft partijen de gelegenheid zich over deze vragen uit te laten en verwijst de zaak door voor verdere behandeling. De uitspraak benadrukt de complexiteit van de inzittendenbescherming en de noodzaak van een eenduidige uitleg van het begrip bestuurder in het Europese en nationale recht.
Uitkomst: De Hoge Raad stelt prejudiciële vragen aan het HvJEU over de uitleg van het begrip bestuurder in de WAM en stelt partijen in de gelegenheid zich hierover uit te laten.