ECLI:NL:HR:2024:794

Hoge Raad

Datum uitspraak
4 juni 2024
Publicatiedatum
31 mei 2024
Zaaknummer
22/00493
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 36e.2 SrArt. 36e.3 SrArt. 81 lid 1 Wet op de rechterlijke organisatieArt. 6 lid 1 EVRM
Verwijzingen
3 uitgaand · 2 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad vermindert betalingsverplichting bij profijtontneming uit hennepkwekerij

In deze zaak heeft de Hoge Raad het beroep in cassatie behandeld tegen een uitspraak van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden over een vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel van een betrokkene die verdacht werd van het telen en oogsten van hennep.

De betrokkene stelde cassatieberoep in tegen de uitspraak van het hof. De advocaat-generaal concludeerde tot vernietiging van de uitspraak, maar alleen wat betreft de hoogte van de betalingsverplichting, met een voorstel tot vermindering van het bedrag naar een gebruikelijke maatstaf. Voor het overige werd het beroep verworpen.

De Hoge Raad oordeelde dat de klachten niet tot vernietiging van de uitspraak konden leiden en dat het niet nodig was om de motivering te geven omdat het geen vragen betrof die van belang zijn voor de eenheid of ontwikkeling van het recht. Wel stelde de Hoge Raad vast dat de redelijke termijn was overschreden, wat een vermindering van de betalingsverplichting rechtvaardigt.

Daarom vernietigde de Hoge Raad het hofuitspraak uitsluitend wat betreft de hoogte van de betalingsverplichting en stelde het bedrag vast op € 26.380. Het beroep werd voor het overige verworpen. De uitspraak werd gedaan door de vice-president Borgers en raadsheren Kuijer en Trotman op 4 juni 2024.

Uitkomst: De Hoge Raad vermindert de betalingsverplichting tot € 26.380 wegens overschrijding van de redelijke termijn en verwerpt het beroep voor het overige.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer22/00493 P
Datum4 juni 2024
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een uitspraak van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 14 februari 2022, nummer 21-000193-20, op een vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel ten laste
van
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1969,
hierna: de betrokkene.

1.Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de betrokkene. Namens deze heeft S.F.W. van 't Hullenaar, advocaat in Arnhem, bij schriftuur een cassatiemiddel voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De advocaat-generaal D.J.C. Aben heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft de hoogte van de betalingsverplichting tot vermindering van het bedrag naar de gebruikelijke maatstaf en tot verwerping van het beroep voor het overige.

2.Beoordeling van het cassatiemiddel

De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van Pro de Wet op de rechterlijke organisatie).

3.Ambtshalve beoordeling van de uitspraak van het hof

De Hoge Raad doet uitspraak nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Dat brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 van Pro het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden is overschreden. Dit moet leiden tot vermindering van de opgelegde betalingsverplichting van € 27.771,18.

4.Beslissing

De Hoge Raad:
- vernietigt de uitspraak van het hof, maar uitsluitend wat betreft de hoogte van de opgelegde betalingsverplichting ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel;
- vermindert het te betalen bedrag in die zin dat de hoogte daarvan € 26.380 bedraagt;
- verwerpt het beroep voor het overige.
Dit arrest is gewezen door de vice-president M.J. Borgers als voorzitter, en de raadsheren M. Kuijer en T.B. Trotman, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van
4 juni 2024.