ECLI:NL:HR:2024:821

Hoge Raad

Datum uitspraak
7 juni 2024
Publicatiedatum
6 juni 2024
Zaaknummer
23/00876
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 228 lid 2 GemeentewetArt. 11 lid 3 AWRWet van 22 maart 2017 tot wijziging van de Gemeentewet, de Provinciewet en de WaterschapswetArt. 81 lid 1 Wet op de rechterlijke organisatie
Verwijzingen
10 uitgaand · 2 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling precariobelastingheffing op nutsnetwerken en overgangsrecht gemeente Uitgeest

Het arrest betreft een cassatieprocedure tussen het dagelijks bestuur van Cocensus en belanghebbende, eigenaar van gastransportnetwerken in de gemeente Uitgeest, over precariobelastingaanslagen voor 2016 en 2017.

De kern van het geschil betrof de rechtmatigheid van de aanslagen en de heffingsbevoegdheid van de gemeente, met name voor het tweede halfjaar van 2017. Het Hof oordeelde dat de aanslag voor 2016 terecht buiten de termijn was vastgesteld omdat de belastingschuld op 1 januari 2016 was ontstaan en de aanslagtermijn van drie jaar was verstreken. Voor 2017 was de gemeente volgens het Hof niet bevoegd om precariobelasting te heffen over het tweede halfjaar vanwege het overgangsrecht dat een specifiek tarief voor nutsnetwerken vereist in de verordening van 10 februari 2016.

De Hoge Raad bevestigde dit oordeel en verduidelijkte dat het overgangsrecht alleen geldt voor gemeenten die op 10 februari 2016 een specifiek tarief voor precariobelasting op nutsnetwerken hadden opgenomen. Een algemene restbepaling in de verordening volstaat niet. De klachten van het dagelijks bestuur faalden, evenals het incidentele beroep van belanghebbende. De Hoge Raad veroordeelde het dagelijks bestuur tot vergoeding van de proceskosten van belanghebbende.

Uitkomst: De Hoge Raad verklaart beide cassatieberoepen ongegrond en bevestigt dat de gemeente niet bevoegd was om precariobelasting te heffen over het tweede halfjaar 2017 zonder specifiek tarief.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
BELASTINGKAMER
Nummer23/00876
Datum7 juni 2024
ARREST
in de zaak van
het DAGELIJKS BESTUUR VAN COCENSUS
tegen
[X] B.V. (hierna: belanghebbende)
op het beroep in cassatie tegen de uitspraak van het Gerechtshof Amsterdam van 24 januari 2023, nrs. 22/00123 en 22/00124 [1] , op het hoger beroep van belanghebbende tegen een uitspraak van de Rechtbank Noord-Holland (nrs. HAA 20/6348 en HAA 20/6349) betreffende de aan belanghebbende voor de jaren 2016 en 2017 opgelegde aanslagen in de precariobelasting van de gemeente Uitgeest.

1.Geding in cassatie

Het dagelijks bestuur van Cocensus (hierna: het Dagelijks Bestuur), vertegenwoordigd door [P1] en [P2], heeft tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld.
Belanghebbende, vertegenwoordigd door R.T. Wiegerink, heeft een verweerschrift ingediend. Zij heeft ook incidenteel beroep in cassatie ingesteld.
Het beroepschrift in cassatie en het geschrift waarbij incidenteel beroep in cassatie is ingesteld, zijn aan dit arrest gehecht en maken daarvan deel uit.
Het Dagelijks Bestuur heeft schriftelijk zijn zienswijze over het incidentele beroep naar voren gebracht.
De Advocaat-Generaal P.J. Wattel heeft op 27 oktober 2023 geconcludeerd tot ongegrondverklaring van beide beroepen in cassatie. [2]
Belanghebbende heeft schriftelijk op de conclusie gereageerd.

2.Uitgangspunten in cassatie

2.1
Belanghebbende is eigenaar en beheerder van nutsnetwerken voor gastransport in de gemeente Uitgeest (hierna: de gemeente). Door de heffingsambtenaar zijn aan belanghebbende voor de jaren 2016 en 2017 aanslagen in de precariobelasting opgelegd voor het hebben van gasleidingen in de gemeentegrond.
2.2
Voor het jaar 2016 is de aanslag opgelegd op basis van het jaartarief van artikel 4.3 van de Tarieventabel die behoort bij de Verordening precariobelasting Uitgeest 2016 (hierna: de Verordening 2016).
2.3
Voor het jaar 2017 is de aanslag opgelegd naar twee verschillende tarieven. Voor het eerste halfjaar was dat het tarief in de Verordening precariobelasting Uitgeest 2017 (hierna: de Verordening 2017). Voor het tweede halfjaar heeft de heffingsambtenaar het tarief toegepast dat gold op grond van de Verordening 2016. Hij heeft zich hierbij gebaseerd op het overgangsrecht van artikel IV, lid 1, van de Wet van 22 maart 2017 tot wijziging van de Gemeentewet, de Provinciewet en de Waterschapswet in verband met het beperken van de heffingsbevoegdheid van precariobelasting voor enige openbare werken van algemeen nut (hierna: de Wijzigingswet). [3] Als gevolg van dit overgangsrecht mag de heffing van precariobelasting voor openbare werken van algemeen nut gedurende een overgangsperiode (van 1 juli 2017 tot 1 januari 2022) alleen nog blijven plaatsvinden door gemeenten waarin op 10 februari 2016 een belastingverordening gold voor het heffen van precariobelasting voor dergelijke werken en ten hoogste naar het tarief dat in die verordening was vastgesteld.

3.Procedure voor het Hof

3.1
Voor het Hof was in geschil of de aanslagen voor de jaren 2016 en 2017 terecht zijn opgelegd. Met betrekking tot de aanslag voor het jaar 2016 was in geschil of deze tijdig is vastgesteld. Voor het jaar 2017 was onder meer in geschil of het de gemeente op grond van het overgangsrecht was toegestaan precariobelasting over het tijdvak ingaande 1 juli van dat jaar te heffen ter zake van het gastransportnet van belanghebbende.
3.2
Het Hof heeft allereerst geoordeeld dat de aanslag voor het jaar 2016 buiten de daarvoor geldende termijn is opgelegd, omdat die termijn reeds was verstreken op de aanslagdatum 20 december 2019. Het Hof is namelijk van oordeel dat de materiële belastingschuld van belanghebbende reeds is ontstaan op 1 januari 2016. Het heeft daartoe overwogen dat (i) artikel 9, lid 3, van de Verordening 2016 als hoofdregel bepaalt dat de belasting wordt verschuldigd bij de aanvang van het belastingtijdvak, en daarop slechts een uitzondering maakt indien het hebben van voorwerpen na de aanvang van het belastingtijdvak een aanvang neemt, (ii) artikel 7 van Pro de Verordening 2016 bepaalt dat het belastingtijdvak gelijk is aan het kalenderjaar indien de belasting wordt geheven naar jaartarieven, (iii) het jaartarief van artikel 4.3 van de Tarieventabel behorende bij de Verordening 2016 van toepassing is op voorwerpen die op 1 januari 2016 onder, op of boven de voor de openbare dienst bestemde gemeentegrond aanwezig zijn, en (iv) niet in geschil is dat de gasleidingen waarvoor de aanslag voor het jaar 2016 is opgelegd, zich reeds op 1 januari 2016 onder de voor de openbare dienst bestemde gemeentegrond bevonden, en de aanslag voor het jaar 2016 daarom naar het vaste jaartarief is opgelegd met het kalenderjaar als belastingtijdvak. Daaruit volgt dat de (materiële) belastingschuld is ontstaan op 1 januari 2016, aldus het Hof. Het Hof heeft daarbij ook overwogen dat bij deze systematiek past dat het voorschrift van artikel 8 van Pro de Verordening 2016 het mogelijk maakt naar evenredigheid ontheffing te verlenen voor zover de voorwerpen gedurende het kalenderjaar zijn verwijderd. Het Hof heeft op grond van dit een en ander geoordeeld dat artikel 11, lid 3, AWR meebrengt dat de bevoegdheid tot het vaststellen van de aanslag voor het jaar 2016 vervalt drie jaren na het tijdstip waarop de belastingschuld is ontstaan, derhalve op 1 januari 2019.
3.3
Het Hof achtte de gemeente niet bevoegd om precariobelasting te heffen over het tweede halfjaar van 2017. Het Hof heeft geoordeeld dat, mede gelet op de uit de wetsgeschiedenis blijkende strekking van het overgangsrecht, voor toepassing van de daarin voorziene uitzondering is vereist dat in de op 10 februari 2016 geldende verordening een specifieke bepaling (met een specifiek tarief) diende te zijn opgenomen voor de heffing van precariobelasting op nutsnetwerken. Alleen in een dergelijk geval heeft de wetgever het volgens het Hof gerechtvaardigd geacht om gemeenten de mogelijkheid te bieden om ook na 30 juni 2017 (tot 1 januari 2022) precariobelasting te blijven heffen. Naar het oordeel van het Hof is dan ook niet voldoende dat in een op 10 februari 2016 geldende verordening of de daarbij behorende tarieventabel, een algemeen geformuleerde restbepaling is opgenomen die voor alle kwalificerende voorwerpen geldt waarvoor geen bijzonder tarief is vastgesteld en op grond waarvan ook nutsnetwerken onder de reikwijdte van die restbepalingen kunnen worden gebracht. Een dergelijke ruime uitleg van het overgangsrecht strookt niet met de in de wetgeschiedenis vermelde voorwaarde dat in de desbetreffende verordening een tarief moet zijn opgenomen voor de heffing van precariobelasting op nutsnetwerken. Indien een dergelijke restbepaling wel voldoende zou zijn, zou de overgangsbepaling weinig effect sorteren; in de meeste precariobelastingverordeningen komt een dergelijke restbepaling namelijk voor, aldus het Hof.

4.Beoordeling van de in het principale beroep aangevoerde klachten

4.1
De klachten zijn terecht niet gericht tegen de hiervoor in 3.2 weergegeven oordelen van het Hof over de aanslagtermijn. Deze oordelen geven immers niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting. [4]
4.2
De klachten keren zich wel tegen het hiervoor in 3.3 weergegeven oordeel van het Hof over de heffingsbevoegdheid van de gemeente over het tweede halfjaar van 2017.
4.3.1
Voor de beoordeling van deze klachten is van belang dat met ingang van 1 juli 2017 aan artikel 228 van Pro de Gemeentewet een tweede lid is toegevoegd dat de aldaar nader omschreven openbare werken van algemeen nut uitsluit als object van precariobelasting. Met ingang van die datum is het gemeenten verboden precariobelasting te heffen over nutsnetwerken, behalve voor zover het hiervoor in 2.3 vermelde overgangsrecht dit toestaat.
4.3.2
Uit de geschiedenis van de totstandkoming van dit overgangsrecht, weergegeven in onderdeel 4.10 van de conclusie van de Advocaat-Generaal, [5] volgt dat de daarin voorziene tijdelijke uitzondering alleen is bedoeld voor gemeenten die “op 10 februari 2016 een tarief (…) hebben opgenomen in een belastingverordening voor precariobelasting op nutsnetwerken”. Het overgangsrecht dient in overeenstemming met deze bedoeling te worden uitgelegd. De bewoordingen van artikel IV, lid 1, van de Wijzigingswet staan aan deze beperkte uitleg niet in de weg.
4.3.3
Met “een tarief (…) in een belastingverordening voor precariobelasting op nutsnetwerken” heeft de wetgever, naar moet worden aangenomen, het oog gehad op een verordening precariobelasting waarin een specifiek tarief is opgenomen voor het heffen van die belasting ter zake van leidingen, buizen en kabels. Een voorbeeld daarvan is te vinden in de Modelverordening Precariobelasting van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten. De daarbij behorende tarieventabel kent een hoofdstuk 3 met de titel “Leidingen, kabels en buizen”. Dat de wetgever aan een specifiek tarief heeft gedacht, valt ook af te leiden uit het feit dat de Nota naar aanleiding van het verslag in dit verband verwijst naar een inventarisatie van de gemeenten die “een tarief hadden vastgesteld voor het heffen van precariobelasting op leidingen, buizen en kabels”. [6]
4.3.4
Voor toepassing van het overgangsrecht is het dan ook niet voldoende dat in de gemeente op 10 februari 2016 een verordening gold voor het heffen van precariobelasting, zoals de Verordening 2016, die weliswaar een mogelijkheid biedt tot het heffen van deze belasting ter zake van openbare werken van algemeen nut, maar slechts via toepassing van een algemeen tarief voor overige voorwerpen als restcategorie.
4.3.5
Het middel faalt daarom.

5.Beoordeling van de in het incidentele beroep aangevoerde klachten

De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het Hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie).

6.Proceskosten

Wat betreft het principale beroep in cassatie van het Dagelijks Bestuur zal het Dagelijks Bestuur worden veroordeeld tot vergoeding van de kosten die belanghebbende voor het geding in cassatie heeft moeten maken.
Wat betreft het incidentele beroep in cassatie van belanghebbende ziet de Hoge Raad geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

7.Beslissing

De Hoge Raad:
- verklaart beide beroepen in cassatie ongegrond, en
- veroordeelt het dagelijks bestuur van Cocensus in de kosten van belanghebbende voor het geding in cassatie, vastgesteld op € 3.282 voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Dit arrest is gewezen door de raadsheer M.W.C. Feteris als voorzitter, en de raadsheren M.T. Boerlage en A.E.H. van der Voort Maarschalk, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier F. Treuren, en in het openbaar uitgesproken op 7 juni 2024.
Van het dagelijks bestuur van Cocensus wordt een griffierecht geheven van € 548.

Voetnoten

3.Stb. 2017, 157.
4.Vgl. HR 9 juli 1999, ECLI:NL:HR:1999:AA2801, rechtsoverweging 4.4.
5.Kamerstukken II 2016/2017, 34 508, nr. 6, blz. 6 t/m 8.
6.Kamerstukken II 2016/2017, 34 508, nr. 6, blz. 7.