Uitspraak
GERECHTSHOF AMSTERDAM
1.Ontstaan en loop van het geding
2.Feiten
Artikel 2. Voorwerp van belasting; belastbaar feit
4. Ander gebruik van de weg
4. Ander gebruik van de weg
Artikel 8. Ontheffing
”
griffier: HR 24 juni 2016, ECLI:NL:HR:2016:1270] waren veel gemeenten zich niet bewust van deze heffingsmogelijkheid, omdat zij meenden dat een in het verleden gesloten overeenkomst over het gas- en elektriciteitsnetwerk waarop belanghebbende zich had beroepen, daaraan in de weg stond. Ook de gemeente Uitgeest had in het verleden een dergelijke overeenkomst gesloten. Dat is iets anders dan dat er geen intentie is om te heffen. Na het Blaricum-arrest is de heffingsambtenaar gaan beseffen dat het juridisch wél mogelijk was om precariobelasting te heffen. Vervolgens is intern een discussie gevoerd over de juridische haalbaarheid en is daarover extern advies ingewonnen. Het klopt dat, zoals belanghebbende stelt, in de gemeenteraad voor het eerst in november 2019 is gesproken over het heffen van precariobelasting op kabels en leidingen. In opdracht van het college was een quick scan uitgevoerd waarvan de conclusie luidde dat de heffing van precariobelasting op kabels en leidingen op basis van de geldende verordening mogelijk was.”
3.Geschil in hoger beroep
- de Verordening van toepassing is op de gasleidingen;
- het zogenoemde ‘resttarief’ van artikel 4 van Pro de Verordening ten aanzien van de gasleidingen verbindende kracht mist;
- toepassing van het resttarief op de gasleidingen in het onderhavige geval strijdig is met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur.
4.Het oordeel van de rechtbank
Termijn aanslag (2016)
5.Beoordeling van het geschil
- in artikel 7 van Pro de Verordening is bepaald dat indien de belasting wordt geheven naar jaartarieven, het belastingtijdvak gelijk is aan het kalenderjaar;
- in artikel 9, derde lid, van de Verordening is als hoofdregel bepaald dat de belasting verschuldigd wordt bij de aanvang van het belastingtijdvak en dat de uitzondering daarop (“zo dit later is”) zich (slechts) voordoet indien het hebben van voorwerpen na de aanvang van het belastingtijdvak een aanvang neemt;
- in de op artikel 5 van Pro de Verordening gebaseerde Tarieventabel 2016 bevat artikel 4.3 (de ‘restbepaling’) een week-, maand- respectievelijk jaartarief;
- voor de gevallen waarin het belastingtijdvak gelijk is aan het kalenderjaar, is in artikel 8 van Pro de Verordening de mogelijkheid opgenomen om op aanvraag van de belastingplichtige naar evenredigheid ontheffing te verlenen voor zover de voorwerpen gedurende het kalenderjaar zijn verwijderd.
Kamerstukken II2016/17, 34 508, nr. 1) was in het voorgestelde artikel IV, eerste lid, nog als aanvullende voorwaarde opgenomen dat alleen de gemeenten “waarin in 2015 precariobelasting werd geheven voor enige openbare werken van algemeen nut” die belasting na 30 juni 2017 konden blijven heffen (aanvankelijk tot 1 januari 2027). In de memorie van toelichting is hierover onder meer het volgende opgemerkt (
Kamerstukken II2016/17, 34 508, nr. 3, blz. 10):
Kamerstukken II2016/17, 34 508, nr. 7):
Kamerstukken II2016/17, 34 508, nr. 6, blz. 6-8):
6.Kosten
7. Beslissing
- vernietigt de uitspraak van de rechtbank;
- verklaart de beroepen gegrond;
- vernietigt de uitspraken op bezwaar;
- vernietigt de aanslag 2016;
- vermindert de aanslag 2017 tot € 97.812, en
- gelast de heffingsambtenaar het in beroep en hoger beroep betaalde griffierecht tot een bedrag van [€ 354 (beroep) + € 548 (hoger beroep) =] € 902 aan belanghebbende te vergoeden.
de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.
de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl).
www.hogeraad.nl. Informatie over de inlogmiddelen vindt u op
www.hogeraad.nl.
de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag.