Uitspraak
1.Procesverloop
2.Uitgangspunten en feiten
3.Beoordeling van het middel
4.Beslissing
21 juni 2024.
Hoge Raad
Deze cassatieprocedure in het belang der wet betreft de uitleg van de term 'veroordeeld wegens misdrijf' in artikel 7 van Pro de Landsverordening integriteit (kandidaat-)ministers van Curaçao (Lvim). De vraag was of deze term ook een schuldigverklaring zonder oplegging van straf of maatregel omvat, zoals bedoeld in artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht.
De zaak ontstond nadat betrokkene, die in 2002 schuldig werd verklaard voor ontucht zonder strafoplegging, in 2021 als kandidaat-minister werd voorgedragen. Na onderzoek trok hij zich terug. De rechter wees zijn vordering af dat hij niet veroordeeld was in de zin van de Lvim, maar het hof stelde hem in het gelijk en oordeelde dat zonder strafoplegging geen sprake is van veroordeeld zijn.
De Hoge Raad vernietigt het hofarrest en stelt dat een schuldigverklaring zonder strafoplegging wel degelijk een veroordeling is in de zin van de Lvim. Dit volgt uit de wetsgeschiedenis, het wettelijke systeem en de terminologie van het Wetboek van Strafvordering. Het begrip 'veroordeeld' richt zich op de justitiële integriteit en niet op het opleggen van een straf. De vernietiging brengt geen nadeel toe aan de rechten van partijen.
Uitkomst: De Hoge Raad bepaalt dat een schuldigverklaring zonder strafoplegging ook een veroordeling is in de zin van de integriteitswet Curaçao.