Uitspraak
wonende te [woonplaats],
gevestigd te Rotterdam,
1.Het geding in feitelijke instanties
9 april 2014;
2.Het geding in cassatie
3.Beoordeling van de middelen
4.Beslissing
18 december 2015.
Hoge Raad
De man was in 2011 ontheven van het ouderlijk gezag over zijn zoon, die sinds 2005 in een pleeggezin verbleef. Hij verzocht de kinderrechter en het hof om herstel van het gezag, omgangsregeling en informatieverplichting, terwijl de Stichting Jeugdbescherming Rotterdam Rijnmond ontzegging van omgang vorderde. Het hof wees het wrakingsverzoek van de man tegen een raadsheer-plaatsvervanger af omdat het verzoek niet door een advocaat was ondertekend en de man niet ter zitting verscheen.
De man stelde in cassatie dat dit in strijd was met art. 6 EVRM Pro en art. 39 lid 1 Rv Pro, omdat het hof het wrakingsverzoek niet had mogen buiten beschouwing laten zonder hem gelegenheid te bieden het verzuim te herstellen. De Hoge Raad oordeelde dat het hof onjuiste rechtsopvatting had door het wrakingsverzoek buiten behandeling te laten op grond van het ontbreken van een advocaat-handtekening. Dit was in strijd met het recht op een onpartijdige behandeling en het vertrouwen in de rechterlijke macht.
De Hoge Raad vernietigde de beschikking van het hof en verwees de zaak naar het gerechtshof Amsterdam voor verdere behandeling en beslissing, zodat het wrakingsverzoek alsnog kan worden behandeld. De overige klachten werden niet behandeld.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt de beschikking van het hof en verwijst de zaak voor nieuwe behandeling.