ECLI:NL:HR:2025:111
Hoge Raad
- Cassatie
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt dat uitstel van betaling aan aansprakelijkgestelde verjaring belastingschuld niet stuit
De zaak betreft een beroep in cassatie van de Staatssecretaris van Financiën tegen een uitspraak van het Gerechtshof Amsterdam over de aansprakelijkstelling van belanghebbende voor nageheven loonheffingen van twee opgeheven besloten vennootschappen.
Belanghebbende was aansprakelijk gesteld voor belastingschulden van vennootschappen die in 2016 waren opgehouden te bestaan. Uitstel van betaling was verleend aan belanghebbende voor de aansprakelijkheidsschuld, maar niet voor de onderliggende belastingschuld. Het Hof oordeelde dat dit uitstel geen stuiting of verlenging van de verjaring van de belastingschuld tot gevolg had.
De Hoge Raad bevestigt dit oordeel en wijst erop dat artikel 27, lid 2, Invorderingswet 1990 alleen ziet op stuiting van de verjaring van de belastingschuld zelf en niet op de aansprakelijkheidsschuld. Uitstel van betaling aan de aansprakelijkgestelde strekt niet tot verlenging van de verjaringstermijn van de belastingschuld.
Daarmee is het recht op dwanginvordering van de belastingschuld verjaard en dient de aansprakelijkstelling te vervallen. De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie ongegrond en veroordeelt de Staatssecretaris in de proceskosten.
Uitkomst: De Hoge Raad verklaart het cassatieberoep ongegrond en bevestigt dat uitstel van betaling aan de aansprakelijkgestelde de verjaring van de belastingschuld niet stuit, waardoor de aansprakelijkstelling vervalt.