Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van het eerste cassatiemiddel
3.Beoordeling van het tweede en het derde cassatiemiddel
4.Beslissing
16 september 2025.
Hoge Raad
De zaak betreft een cassatieberoep tegen een arrest van het gerechtshof Den Haag over medeplegen poging tot doodslag. De verdachte was gedurende het hoger beroep meer dan twee jaar in voorlopige hechtenis. Het hof had vastgesteld dat de redelijke termijn in hoger beroep was overschreden en had de straf met zes maanden verminderd.
De Hoge Raad overweegt dat bij voorlopige hechtenis de redelijke termijn in hoger beroep 16 maanden bedraagt, in plaats van de gebruikelijke 24 maanden. Het hof had ten onrechte aangenomen dat de verdachte niet in voorlopige hechtenis was, maar dit leidt niet tot een verdere strafvermindering.
De Hoge Raad bevestigt dat de strafvermindering van zes maanden voldoende is als compensatie voor de overschrijding van ruim 27 maanden. Het cassatieberoep wordt verworpen, waarmee het arrest van het hof in stand blijft.
De uitspraak benadrukt de beperkte toetsing van de Hoge Raad aan het oordeel van de feitenrechter over de redelijke termijn en bevestigt de toepassing van de jurisprudentie omtrent voorlopige hechtenis en redelijke termijnen.
De zaak illustreert de balans tussen waarborgen van een tijdige rechtsgang en het belang van een passende strafoplegging.
Uitkomst: De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en bevestigt een strafvermindering van zes maanden wegens overschrijding van de redelijke termijn in hoger beroep.