Conclusie
1.Het cassatieberoep
2.De bewezenverklaring en bewijsoverweging van het hof
het hof begrijpt: op 23 april 2021) een foto via WhatsApp naar [getuige 1] heeft gestuurd (21:46 uur) waarop vlammen onder de partytent van de buren waren te zien en direct daarna heeft hij [getuige 1] gebeld om te zeggen dat alles in de fik stond terwijl hij in de slaap- of speelkamer stond en bezig was om de glasgordijnen op te hangen en zijn partner de kinderen naar bed bracht. Rond diezelfde tijd heeft de verdachte dus op internet gezocht naar de brandbaarheid van benzine en diesel omdat hij hierover een discussie had met zijn partner. Een en ander valt moeilijk met elkaar te rijmen en het hof acht de reden die de verdachte voor zijn internetzoekvraag heeft gegeven dan ook onaannemelijk.
3.Het eerste middel dat namens de verdachte is voorgesteld
Bewijsuitsluiting
ernstigvormverzuim. De vraag waar men vooral bij stil staat is die van of er nadeel voor de verdachte is veroorzaakt.
(hierna steeds: [benadeelde 1] )is vernietigd. De verdediging kan derhalve niet vaststellen of de benzine in de vernietigde jerrycan dezelfde samenstelling had als de onder de verdachte inbeslaggenomen jerrycan en ook kan hierdoor niet meer worden vastgesteld of de benzine in de jerrycan van [benadeelde 1] uit dezelfde batch afkomstig was als die van het nabijgelegen tankstation. Dit levert voor de verdediging een concreet en zeker niet verwaarloosbaar nadeel op. Wanneer de jerrycan van de buren dezelfde motorbenzine zou hebben bevat, zou dit immers ontlastend bewijs voor de verdediging hebben opgeleverd. De verdediging stelt zich derhalve op het standpunt dat, gelet op de ernst van het vormverzuim, de resultaten van het benzine vergelijkend onderzoek ziende op de jerrycan van de verdachte dienen te worden uitgesloten van het bewijs. Indien het hof niet overgaat tot bewijsuitsluiting, dient het onherstelbaar vormverzuim te leiden tot strafvermindering.
eenzelfde(onderstreping: hof)onderzoek als is verricht aan de onder de verdachte inbeslaggenomen jerrycan te verrichten aan de jerrycan die onder [benadeelde 1] in beslag is genomen. Vervolgens is volgens de verdediging op 7 juli 2021 verzocht of dit onderzoek nog mogelijk was. Op 8 september 2021 is er een proces-verbaal van bevindingen opgemaakt (pagina 68) waaruit naar voren kwam dat de jerrycan leeg was en dat er geen druppel meer uit kwam. De verdediging heeft vervolgens op 14 september 2021 verzocht of na kon worden gegaan of bemonstering aan de dop van de jerrycan mogelijk was. Hierop is op 18 oktober 2021 een aanvullend proces-verbaal van bevindingen opgemaakt. Uit dit proces-verbaal volgt dat inderdaad de dop van de jerrycan van de verdachte is bemonsterd en onderzocht, maar dat niet de (samenstelling van de) vloeistof is onderzocht, maar onderzocht is op aanwezige DNA-sporen. Dat de dop van de jerrycan van [benadeelde 1] DNA-sporen van [benadeelde 1] zou bevatten, zou volgens voornoemd proces-verbaal niets opleveren omdat de jerrycan uit de woning van [benadeelde 1] komt en dat het daarom aannemelijk is dat hier zijn DNA op zou zitten. Voorts is in het proces-verbaal gerelateerd dat naar aanleiding van het proces-verbaal omtrent het ontbreken van een restje vloeistof in de jerrycan op 27 september 2021 door de hulpofficier van justitie contact is gelegd met de beslagene [benadeelde 1] , dat aan [benadeelde 1] toen is medegedeeld dat de jerrycan terug mocht en dat [benadeelde 1] hierop zou hebben aangegeven dat de jerrycan kon worden vernietigd. Hierop is de jerrycan vernietigd. De kennisgeving van inbeslagneming werd hierop aangepast, door middel van een vervolgbeslissing. Uit het proces-verbaal van bevindingen volgt dat die beslissing abusievelijk werd genomen zonder overleg met het Openbaar Ministerie, hetgeen wel had moeten plaatsvinden volgens de Aanwijzing inbeslagneming.
4.Het tweede middel dat namens de verdachte is voorgesteld
(i) Bij arrest van 2 augustus 2024 heeft het hof aan de (op dat moment niet voorlopig gehechte) verdachte een gevangenisstraf opgelegd voor de duur van 54 maanden, met aftrek overeenkomstig art. 27 Sr Pro. Het hof heeft daarbij de gevangenneming van de verdachte bevolen;
(ii) Op 5 augustus 2024 is namens de verdachte cassatieberoep ingesteld tegen het arrest van het hof;
(iii) Uit de door de griffie van de Hoge Raad opgevraagde historische detentiegegevens d.d. 11 augustus 2025 blijkt dat de verdachte op 5 september 2024 gevangen is genomen en sindsdien in detentie verblijft;
(iv) De stukken van het geding zijn op 28 maart 2025 bij de griffie van de Hoge Raad ontvangen.
3. Goederen die door de brand zijn vernietigd € 124.986,15
Geen onevenredige belasting strafgeding
Kamerstukken II 2007/2008, 30 143, nr. 16). Het is van groot belang dat het voor een benadeelde partij, die met schade van deze omvang ongevraagd en ongewild wordt geconfronteerd, zo ‘eenvoudig’ als mogelijk wordt gemaakt om de schade vergoed te krijgen. Ook is in de jurisprudentie geconstateerd dat de bedoeling van de wetgever is om een benadeelde partij een prominente plaats in het strafproces te geven, Ik verwijs hierbij naar
ECLI:NL:RBZWB:2021:443waarin het volgende is opgemerkt:
ECLI:NL:HR:2019:793waarin het volgende wordt overwogen:
e-mail van 16 november 2023 van Slachtofferhulp Nederland95. In de mail van 16 november 2023 van slachtofferhulp Nederland komen 3 punten naar voren met betrekking tot de onevenredige belasting van het strafgeding, het vaststellen van de dagwaarde/schattingsbevoegdheid en het verlies van arbeidsvermogen. Ik zal eerst op die 3 punten reageren en dan verder de vordering weerleggen.
dit dossier en deze casus, zijn toegedaan wordt mij niet duidelijk. Er wordt namelijk slechts verwezen naar: een wetswijziging uit 2008 met betrekking tot het ontvankelijkheidscriterium (waarmee wij inmiddels wel bekend zijn en hetgeen niets zegt over de complexiteit van deze vordering), het belang voor een benadeelde partij om ‘zo eenvoudig mogelijk’ haar schade vergoed te zien en een uitspraak waarin geconstateerd wordt dat de benadeelde partij een prominente plaats inneemt binnen het strafproces. Geen van deze punten is een inhoudelijk argument waarom deze vordering geen onevenredige belasting voor het strafproces zou opleveren.
Post iii.Door het bewezenverklaarde handelen van de verdachte is de kleding van de benadeelde partij verloren gegaan, waardoor de benadeelde partij nieuwe kleding heeft moeten aanschaffen. Het hof is van oordeel dat de gevorderde schade in rechtstreeks verband staat met het bewezenverklaarde handelen van de verdachte. Deze post is voorts voldoende onderbouwd, het gevorderde bedrag is alleszins redelijk en ook overigens komt het hof de vordering op dit punt niet onrechtmatig of ongegrond voor, zodat het hof de vordering ten aanzien van deze post volledig zal toewijzen, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 24 april 2021, de datum die is vermeld op de overgelegde factuur.”
Los van een door de benadeelde partij ingestelde vordering kan de rechter ambtshalve de in art. 36f, eerste lid, Sr bedoelde schadevergoedingsmaatregel opleggen indien en voor zover de verdachte jegens het slachtoffer naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door het strafbare feit is toegebracht.”