ECLI:NL:HR:2025:142

Hoge Raad

Datum uitspraak
31 januari 2025
Publicatiedatum
29 januari 2025
Zaaknummer
22/04678
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 81 Wet op de rechterlijke organisatie
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad verklaart beroep in cassatie ongegrond in zaak loonheffingen en omzetbelasting

Belanghebbende, een B.V., was aansprakelijk gesteld voor nageheven loonheffingen en omzetbelasting over de periode januari 2015 tot en met augustus 2017, opgelegd door de Staatssecretaris van Financiën. Tegen deze beschikking was belanghebbende in bezwaar en beroep gegaan bij de Rechtbank Gelderland en vervolgens in hoger beroep bij het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden. Het hof heeft de aansprakelijkstelling bevestigd.

Belanghebbende stelde vervolgens beroep in cassatie in bij de Hoge Raad, die de klachten van belanghebbende heeft beoordeeld. De Hoge Raad oordeelde dat de klachten niet tot vernietiging van het hofarrest konden leiden en dat het niet noodzakelijk was om de zaak inhoudelijk te motiveren in het belang van de rechtsontwikkeling of rechtsvorming.

De Hoge Raad wees het cassatieberoep af en verklaarde het beroep ongegrond. Tevens werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. Hiermee kwam een einde aan de procedure over de aansprakelijkstelling voor de nageheven belastingen in deze zaak.

Uitkomst: Het cassatieberoep van belanghebbende wordt ongegrond verklaard en de aansprakelijkstelling blijft in stand.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
BELASTINGKAMER
Nummer22/04678
Datum31 januari 2025
ARREST
in de zaak van
[X] B.V. (hierna: belanghebbende)
tegen
de STAATSSECRETARIS VAN FINANCIËN
op het beroep in cassatie tegen de uitspraak van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 1 november 2022, nr. BK-ARN 21/00506 [1] , op het hoger beroep van belanghebbende tegen een uitspraak van de Rechtbank Gelderland (nr. AWB 19/730) betreffende de ten aanzien van belanghebbende gegeven beschikking tot aansprakelijkstelling voor de van [A] B.V. nageheven loonheffingen en omzetbelasting over tijdvakken in de periode van januari 2015 tot en met augustus 2017.

1.Geding in cassatie

Belanghebbende, vertegenwoordigd door H.G.M. van Zutphen, heeft tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld.
De Staatssecretaris, vertegenwoordigd door [P] , heeft een verweerschrift ingediend.
Belanghebbende heeft een conclusie van repliek ingediend.

2.Beoordeling van de klachten

De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het Hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie).

3.Proceskosten

De Hoge Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

4.Beslissing

De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie ongegrond.
Dit arrest is gewezen door de vice-president J.A.R. van Eijsden als voorzitter, en de raadsheren M.T. Boerlage en W.A.P. van Roij, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier F. Treuren, en in het openbaar uitgesproken op 31 januari 2025.