Uitspraak
1.Geding in cassatie
De Staatssecretaris, vertegenwoordigd door [P], heeft een verweerschrift ingediend.
Belanghebbende heeft een conclusie van repliek ingediend.
Hoge Raad
In deze zaak stond centraal of de door huisartsen aan een samenwerkingsverband binnen de geïntegreerde eerstelijnszorg verrichte diensten vrijgesteld zijn van omzetbelasting. Belanghebbende, een fiscale eenheid, had omzetbelasting betaald over de tijdvakken van oktober 2017 tot en met maart 2018 en betwistte deze heffing.
Het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden had eerder uitspraak gedaan in het hoger beroep van de Inspecteur tegen een uitspraak van de Rechtbank Gelderland. Belanghebbende stelde cassatieberoep in bij de Hoge Raad, die het beroep ongegrond verklaarde en daarmee de eerdere uitspraken bevestigde.
Daarnaast had belanghebbende een verzoek ingediend tot vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn van de cassatieprocedure. De Hoge Raad stelde vast dat de termijn met meer dan 18 maanden was overschreden en kende een schadevergoeding van € 2.000 toe.
De Hoge Raad veroordeelde de Staat tevens in de proceskosten van belanghebbende voor het geding in cassatie, vastgesteld op € 227 voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand. De uitspraak bevestigt de niet-vrijstelling van omzetbelasting voor de betrokken huisartsendiensten binnen het samenwerkingsverband.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt ongegrond verklaard en belanghebbende ontvangt een vergoeding van € 2.000 wegens overschrijding van de redelijke termijn.