Uitspraak
1.Geding in cassatie
De Staatssecretaris, vertegenwoordigd door [P], heeft een verweerschrift ingediend.
Belanghebbende heeft een conclusie van repliek ingediend.
Hoge Raad
De maatschap belanghebbende voerde beroep in cassatie tegen een uitspraak van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden over de niet-vrijstelling van omzetbelasting op door huisartsen aan een samenwerkingsverband verrichte diensten over diverse tijdvakken van 2016 tot en met 2018.
De Hoge Raad oordeelde dat de middelen van belanghebbende faalden op de gronden vermeld in een gelijktijdig arrest (ECLI:NL:HR:2025:1326). De rechtbank en het hof hadden geoordeeld dat de betreffende diensten niet vrijgesteld zijn van omzetbelasting op grond van art. 11 lid 1 letters Pro f en g Wet OB 1968, het Uitvoeringsbesluit OB en de bijbehorende bijlage.
Daarnaast werd vastgesteld dat de cassatieprocedure meer dan 18 maanden maar minder dan 24 maanden duurde, wat een overschrijding van de redelijke termijn betekent. Daarom kende de Hoge Raad belanghebbende een immateriële schadevergoeding van € 2.000 toe en veroordeelde de Staat in de proceskosten van € 227 voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
De Hoge Raad verklaarde het cassatieberoep ongegrond en bevestigde daarmee de eerdere uitspraken over de omzetbelastingvrijstelling. Het arrest werd gewezen door de vice-president en vier raadsheren op 3 oktober 2025.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt ongegrond verklaard en de diensten van huisartsen aan samenwerkingsverbanden zijn niet vrijgesteld van omzetbelasting.