Uitspraak
1.Geding in cassatie
De Staatssecretaris, vertegenwoordigd door [P], heeft een verweerschrift ingediend.
Belanghebbende heeft een conclusie van repliek ingediend.
Hoge Raad
De zaak betreft een cassatieberoep van Maatschap [X5] tegen de Staatssecretaris van Financiën over de heffing van omzetbelasting op door huisartsen verrichte diensten binnen een geïntegreerde eerstelijnszorgorganisatie. De Hoge Raad bevestigt de eerdere uitspraak van het gerechtshof dat deze diensten niet zijn vrijgesteld van omzetbelasting op grond van art. 11 lid 1 letters Pro f en g Wet OB 1968 en het Uitvoeringsbesluit OB.
Het cassatieberoep is ingesteld tegen uitspraken van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden en de Rechtbank Gelderland over diverse tijdvakken van oktober 2016 tot juni 2018. De Hoge Raad verwijst naar een gelijktijdige uitspraak (ECLI:NL:HR:2025:1326) voor de motivering en verklaart het beroep ongegrond.
Daarnaast is vastgesteld dat de behandeling van het cassatieberoep meer dan 18 maanden, maar minder dan 24 maanden heeft geduurd, waardoor de Hoge Raad een vergoeding van € 2.000 toekent aan belanghebbende wegens overschrijding van de redelijke termijn. De Staat wordt veroordeeld in de proceskosten van € 227 voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
De Hoge Raad benadrukt dat de vergoeding voor immateriële schade en proceskosten wordt toegekend zonder dat het cassatieberoep inhoudelijk wordt gehonoreerd. Het arrest is gewezen door de vice-president als voorzitter en vier raadsheren, en in het openbaar uitgesproken op 3 oktober 2025.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt ongegrond verklaard en een vergoeding van € 2.000 toegekend wegens overschrijding van de redelijke termijn.