ECLI:NL:HR:2025:1465

Hoge Raad

Datum uitspraak
3 oktober 2025
Publicatiedatum
2 oktober 2025
Zaaknummer
22/00860
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 11 lid 1 letters f en g Wet OB 1968Art. 7 Uitvoeringsbesluit OBPost 20 Bijlage B Uitvoeringsbesluit OB
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt niet-vrijstelling omzetbelasting voor huisartsendiensten binnen geïntegreerde eerstelijnszorg

De zaak betreft een cassatieberoep van Maatschap [X5] tegen de Staatssecretaris van Financiën over de heffing van omzetbelasting op door huisartsen verrichte diensten binnen een geïntegreerde eerstelijnszorgorganisatie. De Hoge Raad bevestigt de eerdere uitspraak van het gerechtshof dat deze diensten niet zijn vrijgesteld van omzetbelasting op grond van art. 11 lid 1 letters Pro f en g Wet OB 1968 en het Uitvoeringsbesluit OB.

Het cassatieberoep is ingesteld tegen uitspraken van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden en de Rechtbank Gelderland over diverse tijdvakken van oktober 2016 tot juni 2018. De Hoge Raad verwijst naar een gelijktijdige uitspraak (ECLI:NL:HR:2025:1326) voor de motivering en verklaart het beroep ongegrond.

Daarnaast is vastgesteld dat de behandeling van het cassatieberoep meer dan 18 maanden, maar minder dan 24 maanden heeft geduurd, waardoor de Hoge Raad een vergoeding van € 2.000 toekent aan belanghebbende wegens overschrijding van de redelijke termijn. De Staat wordt veroordeeld in de proceskosten van € 227 voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand.

De Hoge Raad benadrukt dat de vergoeding voor immateriële schade en proceskosten wordt toegekend zonder dat het cassatieberoep inhoudelijk wordt gehonoreerd. Het arrest is gewezen door de vice-president als voorzitter en vier raadsheren, en in het openbaar uitgesproken op 3 oktober 2025.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt ongegrond verklaard en een vergoeding van € 2.000 toegekend wegens overschrijding van de redelijke termijn.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
BELASTINGKAMER
Nummer22/00860
Datum3 oktober 2025
ARREST
in de zaak van
MAATSCHAP [X5] (hierna: belanghebbende)
tegen
de STAATSSECRETARIS VAN FINANCIËN
op het beroep in cassatie tegen de uitspraak van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 8 februari 2022, nrs. 20/00262 tot en met 20/00266, op het hoger beroep van de Inspecteur tegen een uitspraak van de Rechtbank Gelderland (nrs. AWB 17/5161, AWB 17/5162, AWB 18/823, AWB 18/4278 en AWB 18/6105) betreffende door belanghebbende op aangifte voldane bedragen aan omzetbelasting over de tijdvakken 1 oktober 2016 tot en met 31 december 2016, 1 januari 2017 tot en met 31 maart 2017, 1 juli 2017 tot en met 30 september 2017, 1 januari 2018 tot en met 31 maart 2018, en 1 april 2018 tot en met 30 juni 2018.

1.Geding in cassatie

1.1
Belanghebbende, vertegenwoordigd door E.E. Tissen, heeft tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Staatssecretaris, vertegenwoordigd door [P], heeft een verweerschrift ingediend.
Belanghebbende heeft een conclusie van repliek ingediend.
1.2
De Advocaat-Generaal C.M. Ettema heeft op 30 december 2022 geconcludeerd tot gegrondverklaring van het beroep in cassatie. [1] Belanghebbende heeft schriftelijk op de conclusie gereageerd.
1.3
Belanghebbende heeft de Hoge Raad op 5 juni 2024 verzocht om de Staat te veroordelen tot een vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn die geldt voor de behandeling van het cassatieberoep.

2.Beoordeling van de middelen

De middelen falen op de gronden die zijn vermeld in het arrest dat de Hoge Raad vandaag heeft uitgesproken in de zaak met nummer 22/00859, ECLI:NL:HR:2025:1326.

3.Overschrijding van de redelijke termijn in de cassatieprocedure

3.1
Belanghebbende heeft de Hoge Raad op 5 juni 2024 verzocht om de Staat te veroordelen tot een vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn die geldt voor de behandeling van het cassatieberoep.
3.2
In deze zaak is beroep in cassatie ingesteld op 10 maart 2022. Het tijdsverloop sindsdien tot het moment dat de Hoge Raad in deze zaak arrest wijst, levert wat de cassatieprocedure betreft een overschrijding op van de redelijke termijn met meer dan 18 maanden, maar minder dan 24 maanden. Aan belanghebbende komt daarom een vergoeding van immateriële schade toe van € 2.000.

4.Proceskosten

4.1
De Hoge Raad ziet geen aanleiding om de Staatssecretaris te veroordelen in de proceskosten.
4.2
In de omstandigheid dat belanghebbende een vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn in de cassatieprocedure wordt toegekend, vindt de Hoge Raad aanleiding om de Staat (de Minister van Justitie en Veiligheid) te veroordelen in de kosten van het geding in cassatie. [2]
4.3
Bij de berekening van de vergoeding voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand neemt de Hoge Raad in zo’n geval tot uitgangspunt dat i) een verzoek om schadevergoeding een proceshandeling is waaraan 1 punt wordt toegekend, en ii) op een dergelijk verzoek van toepassing is wegingsfactor 0,25 (zeer licht) zoals voorzien in de bijlage bij het Besluit proceskosten bestuursrecht. [3]

5.Beslissing

De Hoge Raad:
- verklaart het beroep in cassatie ongegrond,
- veroordeelt de Staat (de Minister van Justitie en Veiligheid) tot vergoeding van de aan de cassatieprocedure toerekenbare immateriële schade, vastgesteld op € 2.000, en
- veroordeelt de Staat (de Minister van Justitie en Veiligheid) in de kosten van belanghebbende voor het geding in cassatie, vastgesteld op € 227 voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Dit arrest is gewezen door de vice-president M.E. van Hilten als voorzitter, en de raadsheren E.N. Punt, M.A. Fierstra, E.F. Faase en P.A.G.M. Cools, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 3 oktober 2025.

Voetnoten

2.Zie HR 19 februari 2016, ECLI:NL:HR:2016:252, rechtsoverweging 3.14.1.
3.Zie HR 10 november 2023, ECLI:NL:HR:2023:1526, rechtsoverweging 5.2.