Uitspraak
1.Geding in cassatie
De Staatssecretaris, vertegenwoordigd door [P], heeft een verweerschrift ingediend.
Belanghebbende heeft een conclusie van repliek ingediend.
Hoge Raad
Belanghebbende, een maatschap van huisartsen, voerde beroep in cassatie tegen een uitspraak van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden over de verschuldigdheid van omzetbelasting op door hen aan een samenwerkingsverband verrichte diensten.
De Hoge Raad oordeelde dat deze diensten niet zijn vrijgesteld van omzetbelasting op grond van artikel 11, lid 1, letters f en g, Wet OB 1968, en het Uitvoeringsbesluit OB. De middelen van belanghebbende faalden, mede gelet op een gelijktijdig arrest (ECLI:NL:HR:2025:1326).
Daarnaast werd vastgesteld dat de cassatieprocedure langer dan de redelijke termijn had geduurd, waardoor belanghebbende recht had op een immateriële schadevergoeding van € 2.000. De Staat werd veroordeeld tot betaling van deze vergoeding en de proceskosten voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Het arrest werd uitgesproken door de Hoge Raad op 3 oktober 2025 en bevestigt de belastingplicht van de betrokken diensten en het belang van tijdige rechtsgang.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt ongegrond verklaard en belanghebbende ontvangt een vergoeding van € 2.000 wegens overschrijding van de redelijke termijn.