Uitspraak
1.Geding in cassatie
De Staatssecretaris, vertegenwoordigd door [P] , heeft een verweerschrift ingediend.
Belanghebbende heeft een conclusie van repliek ingediend.
Hoge Raad
Belanghebbende, een huisarts, had omzetbelasting betaald over meerdere tijdvakken in 2016 en 2017 en stelde dat de door hem aan een samenwerkingsverband verrichte diensten vrijgesteld waren van omzetbelasting. De zaak betrof de vraag of deze diensten onder de vrijstelling van omzetbelasting vallen zoals bedoeld in art. 11, lid 1, letters f en g, Wet OB 1968.
Het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden had de eerdere uitspraak van de Rechtbank Gelderland bevestigd, waarbij werd geoordeeld dat de diensten niet vrijgesteld waren. Belanghebbende stelde beroep in cassatie in bij de Hoge Raad. De Advocaat-Generaal concludeerde tot gegrondverklaring van het cassatieberoep, maar de Hoge Raad verwierp de middelen en verklaarde het beroep ongegrond, verwijzend naar een gelijktijdig arrest.
Daarnaast werd vastgesteld dat de behandeling van het cassatieberoep de redelijke termijn met meer dan 18 maanden had overschreden, waardoor belanghebbende recht had op een immateriële schadevergoeding van € 2.000. De Staat werd veroordeeld tot betaling van deze vergoeding en de proceskosten voor de cassatieprocedure.
De Hoge Raad benadrukte dat de door huisartsen aan samenwerkingsverbanden verrichte diensten niet zijn vrijgesteld van omzetbelasting, conform de toepasselijke wetsartikelen en uitvoeringsbesluiten. Het arrest is gewezen door de vice-president en vier raadsheren en op 3 oktober 2025 in het openbaar uitgesproken.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt ongegrond verklaard en belanghebbende krijgt een vergoeding van € 2.000 wegens overschrijding van de redelijke termijn.