Uitspraak
1.Geding in cassatie
De Staatssecretaris, vertegenwoordigd door [P], heeft een verweerschrift ingediend.
Belanghebbende heeft een conclusie van repliek ingediend.
Hoge Raad
Belanghebbende, een huisarts, voerde in cassatie beroep tegen het oordeel van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden dat diens tegen vergoeding verrichte diensten aan een samenwerkingsverband van geïntegreerde eerstelijnszorg niet zijn vrijgesteld van omzetbelasting. De Hoge Raad verwijst naar een gelijktijdig arrest (ECLI:NL:HR:2025:1326) en verklaart het beroep ongegrond.
De zaak betreft de omzetbelasting over meerdere tijdvakken in 2016 en 2017. De centrale vraag was of de door belanghebbende verrichte diensten binnen de vrijstellingsregeling van art. 11 lid 1 letters Pro f en g Wet OB 1968 vallen. De Hoge Raad bevestigt dat dit niet het geval is.
Daarnaast heeft belanghebbende een verzoek ingediend tot vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn van de cassatieprocedure. De Hoge Raad constateert een overschrijding van meer dan 18 maar minder dan 24 maanden en kent een vergoeding van € 2.000 toe.
De Staat wordt veroordeeld in de proceskosten van belanghebbende voor het cassatiegeding, vastgesteld op € 227 voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand. Het arrest is gewezen door de vice-president en vier raadsheren en in het openbaar uitgesproken op 3 oktober 2025.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt ongegrond verklaard en belanghebbende ontvangt een vergoeding van € 2.000 wegens overschrijding van de redelijke termijn.