ECLI:NL:HR:2025:1473
Hoge Raad
- Cassatie
- Rechtspraak.nl
Schending hoorplicht bij belastingaanslag 2018 door onvoldoende voorbereidingstijd
Belanghebbende maakte bezwaar tegen de aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen over 2018. Na een uitspraak van de rechtbank die de Inspecteur opdroeg binnen twee weken uitspraak te doen op bezwaar, annuleerde de Inspecteur een gepland hoorgesprek en stelde belanghebbende op 28 juli 2022 opnieuw in de gelegenheid om gehoord te worden met slechts enkele dagen voorbereidingstijd.
Het hof oordeelde dat de hoorplicht niet was geschonden omdat belanghebbende voldoende tijd had gehad sinds de vooraankondiging van de uitspraak op bezwaar en bekend was met de korte termijn. Belanghebbende stelde echter dat de termijn tussen de uitnodiging en het hoorgesprek te kort was om zich adequaat voor te bereiden.
De Hoge Raad stelde belanghebbende in het gelijk en oordeelde dat de Inspecteur met de korte termijn onvoldoende gelegenheid bood om gehoord te worden zoals vereist in artikel 7:2, lid 1, Awb. Het hof had dit onterecht anders beoordeeld. De zaak wordt terugverwezen zodat de Inspecteur opnieuw uitspraak kan doen met inachtneming van de juiste hoorplicht.
Daarnaast veroordeelde de Hoge Raad de Staatssecretaris tot vergoeding van de betaalde griffierechten aan belanghebbende. Er is geen aanleiding voor proceskostenveroordeling. Hiermee wordt het belang van een correcte procedurele behandeling van bezwaren tegen belastingaanslagen benadrukt.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt de eerdere uitspraken en draagt de Inspecteur op opnieuw uitspraak te doen met inachtneming van de hoorplicht.