Uitspraak
1.Geding in cassatie
De Staatssecretaris heeft daarop schriftelijk gereageerd.
De Hoge Raad berekent de vergoeding van de proceskosten van deze cassatieprocedure daarom zonder inachtneming van de WHpkv.
Hoge Raad
In deze zaak stond het beroep in cassatie van belanghebbende tegen de Staatssecretaris van Financiën centraal, naar aanleiding van een uitspraak van het Gerechtshof Den Haag over de proceskostenvergoeding in een bpm-zaak. De Hoge Raad verwees naar een eerder arrest van 6 juni 2025 waarin werd bepaald dat de Inspecteur veroordeeld wordt in de kosten van rechtsbijstand, zowel in de bezwaarfase als in het incidentele hoger beroep.
Belanghebbende werd in de gelegenheid gesteld om nadere gegevens te verstrekken om aan te tonen dat zijn situatie een bijzonder geval betrof zoals bedoeld in het arrest van 17 januari 2025. Belanghebbende stelde dat de gemachtigde, Bothof Services B.V., niet op basis van no cure no pay werkt, wat werd bevestigd in arresten van 26 september 2025. De Hoge Raad oordeelde dat Bothof Services B.V. een instapvergoeding rekent die niet overeenkomt met no cure no pay.
De Hoge Raad vernietigde het hofarrest voor zover het de vergoeding van kosten voor de behandeling van het bezwaar en het incidentele hoger beroep betrof, en bevestigde de uitspraak van de rechtbank. Tevens werd de Staatssecretaris en de Inspecteur veroordeeld tot betaling van griffierechten en proceskostenvergoedingen. Hiermee werd de bijzondere regeling voor proceskostenvergoeding in bpm-zaken met deze gemachtigde bevestigd.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt het hofarrest voor zover het proceskostenvergoedingen betreft en bevestigt de rechtbankuitspraak, waarbij Bothof Services B.V. niet op no cure no pay-basis werkt en bijzondere proceskostenvergoedingen gelden.