Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van het eerste cassatiemiddel
3.Beoordeling van het tweede cassatiemiddel
4.Beslissing
14 oktober 2025.
Hoge Raad
De zaak betreft een zedenzaak tegen een verdachte die wordt beschuldigd van meermalen gepleegde ontucht en verkrachting van twee minderjarige stiefdochters in de periode 2008-2015. Het hof Den Haag had de verdachte veroordeeld op basis van verklaringen van de slachtoffers, gesteund door behandelverslagen en verklaringen van de moeder.
De verdediging voerde aan dat de verklaringen niet authentiek en betrouwbaar waren en dat het steunbewijs onvoldoende was. Het hof oordeelde echter dat de verklaringen gedetailleerd en consistent waren en voldoende steun vonden in andere bewijsmiddelen, zoals behandelverslagen van een psycholoog en verklaringen van de moeder.
De Hoge Raad stelt in cassatie dat het hof onvoldoende heeft gemotiveerd waarom de behandelverslagen en de verklaringen van de moeder als steunbewijs kunnen dienen, aangezien deze verslagen en verklaringen grotendeels gebaseerd zijn op de eigen verklaringen van de slachtoffers. Ook ontbreekt een duidelijke motivering over de beoordeling van het bewijs dat twee aangeefsters los van elkaar verklaringen hebben afgelegd.
Daarom vernietigt de Hoge Raad het arrest en wijst de zaak terug naar het hof Den Haag voor een nieuwe beoordeling van het bewijs en de zaak. Het beroep van de verdachte wordt voor het overige verworpen.
Uitkomst: Hoge Raad vernietigt arrest wegens onvoldoende motivering bewijssteun en wijst zaak terug voor hernieuwde behandeling.