ECLI:NL:HR:2025:1538
Hoge Raad
- Cassatie
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad verklaart beroep in cassatie ongegrond inzake navorderingsaanslag en boetebeschikking inkomstenbelasting 2017
Belanghebbende heeft in cassatie beroep ingesteld tegen het arrest van het Gerechtshof ’s-Hertogenbosch van 19 juni 2024, waarin het hof het hoger beroep van belanghebbende tegen uitspraken van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant behandelde. De zaak betrof een navorderingsaanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen over het jaar 2017, een boetebeschikking en aanslagen in de inkomensafhankelijke bijdrage Zorgverzekeringswet, inclusief beschikkingen inzake belastingrente.
De Advocaat-Generaal heeft op 4 april 2025 geconcludeerd dat het cassatieberoep gegrond moet worden verklaard, maar de Hoge Raad heeft de klachten tegen het arrest van het hof beoordeeld en geoordeeld dat deze niet leiden tot vernietiging van het arrest. De Hoge Raad heeft daarbij geen nadere motivering gegeven, omdat beantwoording van de vragen niet noodzakelijk is voor de eenheid of ontwikkeling van het recht, conform artikel 81 lid 1 van Pro de Wet op de rechterlijke organisatie.
De Hoge Raad heeft geen aanleiding gezien om proceskosten toe te wijzen en heeft het beroep in cassatie ongegrond verklaard. Het arrest is op 10 oktober 2025 in het openbaar gewezen door de genoemde raadsheren en de vice-president als voorzitter.
Uitkomst: Het beroep in cassatie wordt ongegrond verklaard en het arrest van het hof blijft in stand.