Conclusie
1.Overzicht
middel Iheeft het Hof ten onrechte, want onvoldoende gesteund door de bewijsmiddelen, geoordeeld dat de verdachte de inkomsten van [A] CV en [B] BV voor zijn consultantswerk had moeten opgeven in zijn aangiften IB.
Middel IIstelt dat niet de verdachte, maar iemand anders de aangiften OB en Vpb ten name van [A] CV heeft gedaan en dat uit de bewijsmiddelen niet volgt dat de verdachte die aangiften heeft gedaan.
Middel IIIbetoogt dat de belastingdienst ten onrechte geen rekening heeft gehouden met door [A] en [B] gemaakte kosten en dat daarom niet gezegd kan worden dat hun aangiften Vpb onjuist of onvolledig waren, althans niet dat zij strekten tot te lage belastingheffing. Volgens
middel IVvolgt uit de bewijsmiddelen niet dat de verdachte de feiten sub 2 en 4 (onjuiste aangiften OB en Vpb ten name van [A] CV) tezamen en in vereniging met een persoon heeft gepleegd, nu [A] CV geen rechtspersoon is. Ten slotte bestrijdt
middel Vhet door de belastingdienst berekende en door het Hof overgenomen totale benadelingsbedrag ad € 604.317.
3.De bewezenverklaring en de bewijsmiddelen
In 2013 ging het om € 22.112,-, in 2014 om € 19.425,-, in 2015 om € 12.980,- en in 2016 om € 1,800,-. In totaal was dus € 56.317,- aan omzet aangegeven. [12]
Voornoemd IP-adres [IP-adres 1] is ook gebruikt voor de aangiften omzetbelasting ten name van [A] over het 1e kwartaal 2013 tot en met het 1e kwartaal 2016 en de aangiften vennootschapsbelasting ten name van [A] over de jaren 2013 en 2014. Het IP-adres [IP-adres 2] is ook gebruikt voor de aangiften vennootschapsbelasting ten name van [A] en [B] over het jaar 2016.
Het IP-adres [IP-adres 3] is eenmalig gebruikt voor de aangifte omzetbelasting ten name van [B] over het 1e kwartaal 2016. Verdachte werd in deze aangifte als contactpersoon genoemd.
In de periode van 31 mei 2016 tot en met 30 december 2016 is het IP-adres [IP-adres 4] gebruikt voor de aangiften omzetbelasting ten name van [A] over het 2e en 3e; kwartaal 2016 en de aangiften omzetbelasting ten name van [B] over het 2e tot en met 4e kwartaal 2016. Ook de aangifte vennootschapsbelasting ten name van [B] over het jaar 2015 is ingezonden via dit IP-adres. [26] Verder is onderzoek gedaan naar [betrokkene 4/5] en [betrokkene 6] , die in een aantal van de aangiften omzetbelasting en vennootschapsbelasting ten name van [A] en [B] worden genoemd als contactpersoon of ondertekenaar. Onderzoek in het Belastingdienstsysteem BVR wees uit dat daarin geen natuurlijk persoon met de naam [betrokkene 6] staat geregistreerd. De naam [betrokkene 5] komt er evenmin in voor. Wel staan er drie natuurlijke personen met de naam [betrokkene 4] in het Belastingdienstsysteem BVR. Deze drie personen hebben verklaard dat zij in de periode 2013 tot en met 2015 geen belastingaangiften voor zichzelf of derden hebben ingediend. [27] In de aangiften omzetbelasting en vennootschapsbelasting ten name van [A] en [B] staat bij "gegevens van de klant" telkens het telefoonnummer [telefoonnummer 1] . In de aangiften omzetbelasting en vennootschapsbelasting ten name van [A] wordt bij "gegevens van de klant" telkens het e-mailadres [e-mailadres 1] genoemd, en in de belastingaangiften ten name van [B] het e-mailadres [e-mailadres 2] . [28]
4.Het cassatieberoep
middel 1is de bewezenverklaring van feit 1 onvoldoende gemotiveerd omdat op de bewijsmiddelen zonder nadere motivering niet kan worden gebaseerd dat verdachte’s aangiften IB 2013 t/m 2016 onjuist of onvolledig waren c.q. strekten tot te lage belasting. In ‘s Hofs overwegingen ligt de opvatting besloten dat alle inkomsten die [A] CV voor verdachte’s consultantswerk heeft ontvangen, in diens aangiften IB moesten worden betrokken. Die opvatting is rechtskundig onjuist, althans niet zonder meer begrijpelijk, nu uit de bewijsmiddelen niet kan worden afgeleid dat de verdachte als vennoot van [A] CV na aftrek van kosten, winstverdeling tussen de vennoten en eventuele aftrekposten voor de inkomstenbelasting daadwerkelijk inkomsten heeft ontvangen die hij had moeten opgeven in zijn aangiften IB en zo ja, dat die inkomsten hoger waren dan de bedragen die hij in zijn aangiften IB heeft opgegeven als loon. Het Hof heeft niet vastgesteld (a) hoe en over hoeveel vennoten de winst van [A] CV werd verdeeld, noch (b) dat de inkomsten van [A] CV hoger waren dan de kosten en zo ja, hoe hoog de winst dan was. Verder (c) bestond voor de verdachte geen wettelijke plicht om de aan de Stichting toekomende winst van [A] CV op te nemen in zijn aangifte IB. Ook ter zake van de inkomsten die [B] BV voor verdachte’s consultantswerk heeft ontvangen, gaat het Hof ervan uit dat die in verdachte’s aangiften IB moesten worden betrokken. Uit de bewijsmiddelen volgt echter evenmin (d) dat de inkomsten van [B] BV hoger waren dan de kosten en zo ja, hoe hoog de winst dan was. Bovendien is (e) een BV niet wettelijk verplicht om dividend uit te keren en heeft het Hof niet vastgesteld dat de Holding dividend aan de verdachte heeft uitgekeerd. Middel 1 acht ten slotte niet zonder meer begrijpelijk ‘s Hofs overweging dat de verdachte ter terechtzitting bij het hof heeft verklaard dat hij inkomsten genoot voor zijn werkzaamheden via [C] , omdat dit niet uit het proces-verbaal kan worden afgeleid.
middel 4is de bewezenverklaring van het sub 2 en 4 ten laste gelegde (de aangiften OB en Vpb van [A] CV) onvoldoende gemotiveerd: uit de bewijsmiddelen volgt zonder nadere motivering niet dat de verdachte de feiten tezamen en in vereniging met een ander heeft gepleegd. Daaruit volgt dat [A] CV een CV was, zodat de verdachte de feiten niet tezamen en in vereniging met die vennootschap heeft gepleegd, nu een CV geen rechtspersoon is en dus geen sprake kan zijn van nauwe en bewuste samenwerking met een (rechts)persoon. ‘s Hofs oordeel dat de verdachte de feiten tezamen en in vereniging met [A] CV heeft gepleegd, berust dus op een onjuiste rechtsopvatting of is onbegrijpelijk.
5.De wet
6.Rechtspraak, wetsgeschiedenis en literatuur
Het strafbare feit van art. 69(2) AWR
BNB2020/49: [33]
medegepleegd door iemand die de desbetreffende kwaliteit mist maar er wel van op de hoogte is. [34]
NJ2016/22 [36] overwoog u dat de strekking dat te weinig belasting wordt geheven niet is beperkt tot de heffing ten laste van degene die zelf de verboden gedraging heeft verricht. Beslissend is of de gedraging “naar haar aard in het algemeen geschikt is om teweeg te brengen dat (in rekenkundige) zin onvoldoende belasting wordt geheven”:
daadwerkelijkte weinig belasting is geheven of zou zijn geheven.
Doumae.a. [39] concluderen dat het strekkingsvereiste geen resultaatsvereiste is: [40]
NJ2012/176. [42] Hij merkte over het strekkingsvereiste op:
BNB2020/70 [45] als volgt:
De motiveringsplicht van de strafrechter
Tekst&Commentaarschrijft daarover: [46]
Van Dorst&
Borgers: [51]
Reijntjesen
Reijntjes-Wendenburg: [56]
Van Dorst&
Borgersschrijven daarover: [65]
NJ2010, 314, [70] waarin u het uitgangspunt formuleerde dat de strafrechter, als hij tot een bewezenverklaring komt, de door de verdediging gestelde alternatieve gang van zaken moet weerleggen, maar in sommige gevallen zo’n weerlegging niet vereist is:
Reijntjes-Wendenburgvatten de (omvang van) de motiveringsplicht van de strafrechter bij een door de verdediging aangedragen alternatief scenario als volgt samen: [71]
self evident) is dat de Hoge Raad – ongeacht wat het hof heeft overwogen – kan oordelen dat geen andere conclusie mogelijk is dan dat het alternatieve scenario moet worden verworpen (eerste categorie) of tot vrijspraak moet leiden (laatste categorie). Het verschil in motiveringseisen tussen de tweede categorie (ongeloofwaardige feiten en niet-aannemelijke scenario’s) en derde categorie (goed denkbare scenario’s) laat zich wellicht verklaren doordat het oordeel dat iets niet aannemelijk of geloofwaardig is zich moeilijk laat motiveren. Een rechter blijft dan al gauw steken in algemeenheden als ‘onvoldoende onderbouwd’. Wanneer echter een alternatief scenario goed is onderbouwd, of sterk appelleert aan algemene ervaringsregels en daardoor ‘goed denkbaar is’, zal de rechter die dat scenario wil afwijzen daarvoor in de regel concrete redenen hebben. Die redenen kunnen en moeten dan ook in de uitspraak worden neergelegd. Naar mijn mening is het verschil tussen de tweede en de derde categorie eerder gradueel dan principieel. Naarmate het alternatieve scenario
a prima vistaplausibeler is en naarmate het door de verdediging concreter wordt gemaakt, zal van de rechter meer onderzoek kunnen worden verlangd en zal in de uitspraak meer verantwoording moeten worden afgelegd van dat onderzoek. Dit sluit aan bij hetgeen de Hoge Raad in 2006 in algemene zin overwoog over de omvang van de motiveringsplicht (4.11).
NJ180, 342 [75] (Heroïne in dakgoot)betoogde de verdediging in hoger beroep dat niet de verdachte, maar diens kamergenote, die ook toegang had tot de zolderkamer die de enige toegang tot de dakgoot bood, de heroïne in de dakgoot had verstopt. U casseerde ’s Hofs arrest omdat het niet op dit verweer inging.
NJ1996, 7
52 [76] voerde de verdediging in hoger beroep aan dat de niet-aangegeven en in Zwitserland gehouden obligaties en nummerrekening waren gefinancierd met een lening. Het Hof had niet relevant geacht of tegenover het bezit van de obligaties een schuld stond. U casseerde omdat u dat oordeel niet begrijpelijk achtte:
NJ1996, 752, tot steun voor zijn betoog dat naast de ten onrechte in de aangifte opgevoerde aftrekpost een nog hogere, niet-opgevoerde aftrekpost stond, die het fiscale nadeel veroorzaakt door de gefingeerde aftrekpost zou wegnemen. Dit gegeven, waarmee de rechtbank niet bekend was, zou er toe leiden dat de onjuiste aangifte niet tot gevolg kon hebben gehad dat te weinig belasting zou worden geheven. [78] U wees het herzieningsverzoek af:
NJ2012/176 [79] , waarin de verdachte ondanks diens stelling dat er ook een niet-aangegeven aftrekpost (afwaardering) was, veroordeeld was voor medeplegen van opzettelijk onjuist of onvolledig doen van aangifte Vpb 2001 en 2002, die ertoe strekte dat te weinig belasting werd geheven (art. 69 AWR Pro): [80]
niet(meer) worden aangetast door een (partiële) vrijspraak van de tenlastegelegde opgave van een te laag belastbaar inkomen. [81] Door vooruit te lopen op een daartoe strekkende wijziging van de tenlastelegging resteert uitsluitend nog de vraag of het gepresenteerde novum zich verdraagt met het bewijs van het gevolgbestanddeel. Het is daarmee nog steeds een open vraag of vanwege het bestaan van een alternatieve, toegestane aftrekpost, die ten onrechte niet is opgegeven, het ernstige vermoeden rijst dat de strafrechter zou hebben vrijgesproken van - kort gezegd - de enkele mogelijkheid dat te weinig belasting wordt geheven indien hij op de hoogte was geweest van het bestaan van het alternatief.
NJ2012/176, en is daardoor in wezen al beantwoord. In deze strafzaak uit 2012 was een opzettelijk onjuiste aangifte voor de vennootschapsbelasting bewezenverklaard. De in die aangifte gepresenteerde aankoop door de vennootschap van een aandelenportefeuille waarop de vennootschap in de daarop-volgende jaren een aanzienlijk verlies zou hebben gerealiseerd, had volgens het hof in werkelijkheid niet plaatsgevonden, althans niet in het betreffende boekjaar. Die aandelentransactie was naar ’s hofs oordeel gesimuleerd, zodat het aanzienlijke verlies niet zou vallen bij de natuurlijke persoon (dat was de medeverdachte), maar ogenschijnlijk bij zijn vennootschap. In dat laatste geval kon het verlies ten laste van de winst worden gebracht, aldus oordeelde tenminste de verdachte (een belastingadviseur). Het als “pleitbaar standpunt” gepresenteerde uitdrukkelijk onderbouwde standpunt van de verdediging hield in dat de vennootschap naar goed koopmansgebruik ook de rekening-courantvordering op de grootaandeelhouder (dat was wederom de medeverdachte) had mogen afwaarderen wegens de oninbaarheid van die vordering, zodat de winst van de vennootschap mogelijk op alternatieve wijze tot een lager belastbaar bedrag zou hebben geleid.
strekkingvan de onjuistheid in de aangifte en over de verwerping van een daarmee corresponderend bewijsverweer, heeft Uw Raad het middel in zoverre onbesproken gelaten. De klacht dat het hof niet in het midden had mogen laten of “
de winst van de bv mogelijkerwijs op andere wijze (...) tot een lager belastbaar bedrag zou hebben geleid” werd echter gegrond bevonden. Maar dat hoefde volgens U niet tot cassatie te leiden.
alsmedein de thans voorliggende zaak. In beide gevallen werd de fiscus misleid met het opvoeren van een fictieve aftrekpost. Het kan in die beide zaken zo zijn dat vanwege het bestaan van een andere, alternatieve en gegronde kostenpost de fiscus per saldo geen nadeel heeft ondervonden. Dat neemt echter niet weg dat in het opzettelijke fingeren van een aftrekpost de enkele mogelijkheid van belastingnadeel besloten ligt. [82] Dat is voldoende. Hierdoor kan de in de voorliggende zaak gepresenteerde alternatieve aftrekpost, te weten de door de fiscus erkende arbitragekosten, geen novum teweegbrengen. Het bestaan van die alternatieve aftrekpost zou namelijk niet tot vrijspraak leiden.
BNB2011/206 [86] , onder verwijzing naar EHRM
Murray v UK, dat het zwijgen van de belastingplichtige alleen kan bijdragen tot bewijs van een beboetbaar feit als uit de bewijsmiddelen al een verdenking ter zake van dat feit voortvloeit die roept om een verklaring door de belastingplichtige; diens zwijgen kan dus alleen
meewegen bij de waardering van de overtuigingskracht van de bewijsmiddelen.
Economische eigendom (voordeeltoerekening) in het strafrecht
NJ2012/348 [87] betrof een ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel. Het hof had vastgesteld dat de veroordeelde enig aandeelhouder en bestuurder was van de betrokken BV en geoordeeld dat hieruit volgde dat al het voordeel uit de onderneming uiteindelijk aan de veroordeelde kon worden toegerekend. Dat naast de kosten voor de legale activiteiten van de BV ook kosten voor de verkoop van hennepstekken waren gemaakt, achtte hij niet aannemelijk. Op de omstandigheid dat de veroordeelde enig aandeelhouder en bestuurder was van de BV, kon volgens u echter niet gebaseerd worden dat alle uit de onderneming genoten voordeel aan de veroordeelde kon worden toegerekend:
corporatevoordeel aan een natuurlijke persoon in ontnemingsprocedures: [89]
NJ2012/124 [103] constateerde u dat de wetgever de rechter een grote vrijheid heeft gelaten bij het al dan niet in aanmerking nemen van kosten gemaakt om wederrechtelijk voordeel te verwerven. Een beslissing daarover behoeft in beginsel geen motivering, tenzij de verdediging gemotiveerd en met specificatie van kostenposten betoogt dat bij de schatting van het wederrechtelijke voordeel bepaalde kosten in aftrek moeten komen. [104]
7.Beoordeling van de middelen
Algemeen
middel Iheeft het Hof ten onrechte, want onvoldoende gesteund door de bewijsmiddelen, geoordeeld dat de verdachte de inkomsten van [A] CV en [B] CV voor zijn consultantswerk had moeten opgeven in zijn aangiften IB.
Middel IIstelt dat niet de verdachte, maar iemand anders de aangiften OB en Vpb ten name van [A] CV heeft gedaan en dat uit de bewijsmiddelen niet volgt dat de verdachte die aangiften heeft gedaan.
Middel IIIbetoogt dat de belastingdienst ten onrechte geen rekening heeft gehouden met door [A] CV en [B] BV gemaakte kosten en dat daarom niet gezegd kan worden dat hun aangiften Vpb onjuist of onvolledig waren, althans niet dat zij strekten tot te lage belastingheffing. Volgens
middel IVvolgt uit de bewijsmiddelen niet dat de verdachte de feiten sub 2 en 4 tezamen en in vereniging met een persoon heeft gepleegd, nu [A] CV geen rechtspersoon is. Ten slotte bestrijdt
middel Vhet door de belastingdienst berekende en door het Hof overgenomen totale benadelingsbedrag ad € 604.317.
Prealabele opmerkingen van ambtswege
nietvennootschapsbelastingplichtig zijn geweest voor het aan de beherende venno)(o)t(en) (de verdachte en/of ‘diens’ stichting) toekomende deel van de winst.
anderepersoon - zoals de de verdachte of de Stichting - is genoten. Daarvan blijkt echter niet; het Hof heeft niets van dien aard onderzocht of bewezenverklaard. Integendeel: het Hof is er juist – ten onrechte - vanuit gegaan dat de CV vennootschapsbelastingplichtig was. Voor zover het hier niet om een putatief delict gaat en er dus op dit punt geen strafbaar feit is, meen ik daarom van ambtswege dat ter zake van de aangiften Vpb ten name van [A] CV (feit 4) niet op de bewijsmiddelen gebaseerd kan worden dat voldaan is aan het strekkingsvereiste in art. 69(2) AWR.
alszij het inderdaad genoten hebben, dan kan niet tegelijk ook de verdachte zelf rechtstreeks datzelfde inkomen volledig genoten hebben. Dat kan alsdan alleen indirect in de vorm van een (aftrekbare) loonbetaling door de CV of de BV aan de verdachte, of een (al dan niet informele) niet-aftrekbare winstuitkering door de CV (als het om een open CV zou gaan en de verdachte slechts commandiet zou zijn) of de BV of in de vorm van een – belaste of onbelaste – kapitaalterugbetaling aan de verdachte. Het Hof heeft niets van dien aard onderzocht of vastgesteld, maar volstaan met de in 2.6 hierboven geciteerde overweging dat de verdachte ‘fiscaalrechtelijk gezien’ ‘economisch eigenaar’ is van (kennelijk) de onderneming, het vermogen en de inkomsten van beide vennootschappen, zonder uit te leggen wat hij fiscaalrechtelijk met die term ‘economisch eigenaar’ bedoelt of waarop hij die economische eigendom fiscaalrechtelijk baseert. Fiscaal- en civielrechtelijk bestaat het concept ‘economische eigendom’, maar niet in de zin waarin het Hof het gebruikt. Het Hof lijkt [A] CV en [B] BV vereenzelvigd te hebben met de verdachte zoals bedoeld in 6.22 hierboven, of de gerechtigdheid van de CV en de BV tot de inkomsten als simulatie te hebben gezien zoals bedoeld in 6.22 hierboven. Dat het Hof door de CV en de BV heen wil kijken, is op zichzelf niet onbegrijpelijk – bij de CV kan dat zelfs niet anders, nu die immers fiscaal inderdaad transparant is (zie 7.7-7.11 hierboven) – maar (i) bij de BV behoeft dat mijns inziens aanzienlijk meer motivering dan de in 2.6 hierboven geciteerde cryptische overweging, en (ii) in dat geval is hoe dan ook
nietbegrijpelijk dat het Hof ondanks zijn fiscaalrechtelijke veronachtzaming van het bestaan van die vennootschappen hen toch vennootschapsbelastingplichtig acht ter zake van inkomsten die volgens het Hof ‘fiscaalrechtelijk gezien’ juist
nietdoor die vennootschappen, maar rechtstreeks en volledig door de verdachte zijn genoten als ‘economisch eigenaar’.
Schrödinger’s cat.
kunnenstrekken dat te weinig belasting wordt geheven, nl. bij een ander dan de CV, bijvoorbeeld bij de verdachte. Dat heeft het Hof echter niet onderzocht of bewezenverklaard. In ’s Hofs lezing van de feiten én volgens de Wet Vpb kunnen de Vpb-aangiften van de CV er niet toe strekken dat
bij de CVte weinig vennootschapsbelasting wordt geheven, want (i) waar niets genoten wordt, is geen belasting verschuldigd, en (ii) de CV is überhaupt niet Vpb-plichtig.
van [B] BVis in ’s Hofs lezing van de feiten (de verdachte is rechtstreeks ‘economisch eigenaar’ van alle inkomsten) niet onjuist, want in die lezing (fiscale transparantie) heeft die BV immers in 2016 geen inkomsten genoten, zoals haar aangifte 2016 ook vermeldt. Volgens het Hof zijn alle consultancy-inkomsten immers ‘fiscaal gezien’ rechtstreeks en volledig door de verdachte als ‘economisch eigenaar’ genoten, niet door de BV. Op basis van ’s Hofs oordelen kan dus niet bewezenverklaard worden dat de aangifte Vpb 2016 van de BV onjuist was, althans niet dat zij strekte tot te lage heffing.
Beoordeling van de middelen
Handelsregisterambt des Kantons Zugvan [K] AG), dat vermeldt dat [betrokkene 4]
Mitglied des Verwaltungsratesis. Ik maak daar uit op dat alleen [K] AG zou kunnen worden aangemerkt als “diverse functionarissen” die bij de Stichting betrokken zijn. Over die AG heeft de verdachte verklaard:
wie heeft de onjuiste belastingaangiften ingediend?” onder verwijzing naar bewijsmiddelen overwogen dat (i) het IP-adres waarvandaan verdachte’s aangiften IB zijn gedaan ( [IP-adres 1] ) ook is gebruikt voor de aangiften OB 2013-2016 (kwartaal 1) en de aangiften Vpb 2013 en 2014 ten name van [A] CV; (ii) daarin telkens hetzelfde telefoonnummer is vermeld als in verdachte’s aangiften IB; (iii) onderzoek naar het alternatieve scenario, i.e. naar [betrokkene 4/5] en/of [betrokkene 6] heeft uitgewezen dat [betrokkene 5] en [betrokkene 6] niet in het BVR [116] van de fiscus voorkwamen en de drie als [betrokkene 4] geregistreerden desgevraagd hebben verklaard geen aangiften voor zichzelf of derden gedaan te hebben in 2013-2015. Ik meen dat het Hof daarop kon baseren dat het door de verdediging gesuggereerde alternatieve scenario ( [betrokkene 4] heeft het gedaan) ofwel weerlegd was, ofwel zeer onwaarschijnlijk was. Meer of andere motivering dan door het Hof daarvoor gegeven, lijkt mij niet vereist.
middel 3kan uit de bewijsmiddelen niet worden afgeleid dat de aangiften Vpb ten name van [A] CV en [B] BV onjuist of onvolledig zijn gedaan, omdat uit de bewijsmiddelen niet volgt welke kosten de vennootschappen hebben gemaakt, zodat uit de bewijsmiddelen niet kan worden afgeleid dat de winst hoger is dan de aangegeven winst.
consultancywerk in zijn aangiften IB moesten worden betrokken.
[A] CVbetaalde bedragen voor verdachte’s werkzaamheden betreft, meen ik dat het middel vruchteloos wordt voorgesteld. Zoals boven (7.7-7.12) bleek, is een niet-open CV fiscaal transparant, zodat de aan [A] CV betaalde bedragen fiscaal rechtstreeks werden genoten door dier venno(o)t(en). Het middel betoogt dat (i) het aantal vennoten in de CV en hun winstverdeling niet is vastgesteld; (ii) de kosten en daarmee de winst van de CV niet zijn vastgesteld; (iii) de inkomsten van de CV niet aan de verdachte maar aan de Stichting toekwamen en voor de verdachte geen wettelijke verplichting bestond om de stichtingswinst te verantwoorden in zijn aangiften IB.
consultancydoor (in wezen) een éénpitter hoofdzakelijk verkoop van uren en deskundigheid inhoudt. Zo’n werkzaamheid is noch kapitaalintensief, noch kostenintensief. En niets belette de verdachte om jaarrekeningen van de CV over te leggen als daaruit zou volgen dat de CV-winsten niet hoger waren dan aangegeven en niet hem, maar anderen toekwamen.
feitelijkover het vermogen van de Stichting kon beschikken als was het zijn eigen vermogen. [122] Het Hof is daar kennelijk vanuit gegaan en dat feitelijke oordeel lijkt mij op basis van de bewijsmiddelen niet onbegrijpelijk.
[B] BVgaat, betoogt middel I dat (i) de kosten en daarmee de winst van de BV niet zijn vastgesteld en (ii) de verplichting om de winst van de BV bij de verdachte in de IB aan te geven pas bestaat als die winst als dividend aan de Holding en vervolgens aan de verdachte is uitgekeerd en het Hof niet heeft vastgesteld dat de Holding dividend heeft uitgekeerd.
frontvan de verdachte opgevat. Fiscaalrechtelijk is transparantie
van de CVinderdaad correct, zoals boven bleek.
Voor de BVdaarentegen ligt fiscale transparantie geenszins voor de hand, maar ’s Hofs oordeel laat geen andere conclusie toe dan dat hij de BV vereenzelvigde met de verdachte of meende dat gerechtigdheid van de BV tot de inkomsten slechts gesimuleerd werd. Waarom en op welke feitelijke basis hij dat gedaan heeft, wordt mij uit zijn arrest niet duidelijk. Fiscaalrechtelijke vereenzelviging van een BV met dier directeur/enig aandeelhouder c.q. kwalificatie van een onmiskenbaar juridisch bestaande BV als simulatie behoeft mijns inziens aanzienlijk meer onderbouwing dan ‘s Hofs in 2.6 hierboven geciteerde, fiscaalrechtelijk moeilijk of niet te volgen overweging. U zie ook uw arrest geciteerd in 6.21 hierboven, waaruit volgt dat ook strafrechtelijk (in het kader van voordeelontneming) een directeur/enig aandeelhouder niet zonder uitgebreide motivering vereenzelvigd kan worden met ‘zijn’ BV.
sham?).