Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van het cassatiemiddel
3.Beslissing
14 oktober 2025.
Hoge Raad
De zaak betreft een cassatieberoep tegen een arrest van het gerechtshof 's-Hertogenbosch waarin verdachte is veroordeeld voor openlijke geweldpleging op 10 mei 2022. Het hof kende aan de benadeelde partij een schadevergoeding toe van in totaal € 27.035,97, waarvan € 9.535,97 materiële schade en € 17.500 immateriële schade. De benadeelde handhaafde de vordering in hoger beroep.
De advocaat-generaal concludeerde tot gedeeltelijke vernietiging van het arrest, omdat het hof een bedrag van € 6 teveel had toegewezen en stelde voor dit bedrag te corrigeren. De verdachte stelde cassatieberoep in tegen deze uitspraak. De Hoge Raad beoordeelde of het cassatieberoep ontvankelijk was en oordeelde dat het belang van de verdachte onvoldoende was, gelet op de geringe financiële omvang van de correctie.
De Hoge Raad verwees naar de wetsgeschiedenis van artikel 80a lid 1 Wet RO, waarin is bepaald dat cassatieberoepen niet-ontvankelijk kunnen worden verklaard als het belang bij cassatie duidelijk te gering is, bijvoorbeeld bij een rekenfout van enkele euro's. De correctie van € 6 wordt als een dergelijk te gering belang aangemerkt. De overige klachten van het cassatiemiddel werden eveneens verworpen zonder nadere motivering. Het cassatieberoep wordt derhalve niet-ontvankelijk verklaard en het arrest van het hof blijft in stand.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen wegens onvoldoende belang bij cassatie over een kleine correctie van € 6 op de toegewezen schadevergoeding.