ECLI:NL:HR:2026:183

Hoge Raad

Datum uitspraak
10 februari 2026
Publicatiedatum
5 februari 2026
Zaaknummer
24/01741
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Artikel 80a RO-zaken
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 80a ROArt. 245 Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid cassatieberoep in zedenzaak medeplegen ontucht

In deze zaak stond een 18-jarige verdachte terecht voor medeplegen van ontucht met een 15-jarig meisje in 2019 te 's-Hertogenbosch. De zaak betrof tevens een vordering van de benadeelde partij met betrekking tot de aanvangsdatum van de wettelijke rente over materiële schade.

De verdachte stelde in cassatie onder meer dat het hof ten onrechte de ingangsdatum van de wettelijke rente had vastgesteld op 22 april 2019, terwijl de schade pas in december 2019 was ontstaan. De Hoge Raad oordeelde dat deze klacht betrekking had op een gering financieel belang van circa €14, waardoor de verdachte onvoldoende belang had bij een gegrondverklaring van de klacht.

Gezien het geringe belang en het ontbreken van andere gegronde klachten, maakte de Hoge Raad gebruik van artikel 80a van de Wet op de rechterlijke organisatie om het beroep zonder nadere motivering niet-ontvankelijk te verklaren. Het arrest werd uitgesproken door de Strafkamer van de Hoge Raad op 10 februari 2026.

Uitkomst: Het cassatieberoep van de verdachte wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens onvoldoende belang bij de klacht.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer24/01741
Datum10 februari 2026
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof 's-Hertogenbosch van 18 april 2024, nummer 20-000320-22, in de strafzaak
tegen
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 2000,
hierna: de verdachte.

1.Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze hebben de advocaten R.J. Baumgardt en M.J. van Berlo een schriftuur ingediend.

2.Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep

2.1
Het eerste cassatiemiddel klaagt dat het hof de ingangsdatum van de wettelijke rente (over de materiële schade van € 850,21) heeft bepaald op 22 april 2019, terwijl het gaat om schade die in december 2019 is ontstaan.
2.2
De klacht van het cassatiemiddel heeft betrekking op een gering financieel belang van ongeveer € 14. Gelet daarop heeft de verdachte onvoldoende belang bij gegrondbevinding van de klacht (vgl. HR 14 oktober 2025, ECLI:NL:HR:2025:1558). Omdat ook de overige klachten over de uitspraak duidelijk niet kunnen slagen, zal de Hoge Raad gebruikmaken van de mogelijkheid om het beroep zonder verdere motivering niet-ontvankelijk te verklaren (zie artikel 80a van de Wet op de rechterlijke organisatie).

3.Beslissing

De Hoge Raad verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
Dit arrest is gewezen door de vice-president M.J. Borgers als voorzitter, en de raadsheren F. Posthumus en R. Kuiper, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van
10 februari 2026.