Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van het cassatiemiddel
3.Ambtshalve beoordeling van de uitspraak van het hof
4.Beslissing
4 november 2025.
Hoge Raad
De verdachte werd door het gerechtshof Amsterdam veroordeeld voor het opzettelijk aanwezig hebben van 40,2 gram cocaïne in zijn trainingspak, aangetroffen in een kledingkast op de slaapkamer die hij deelde met zijn broer. Het hof oordeelde dat verdachte wetenschap had van de aanwezigheid van de verdovende middelen en dat deze zich binnen zijn machtssfeer bevonden.
De verdachte stelde in cassatie een bewijsklacht in over het opzet, maar de Hoge Raad verwierp dit beroep. De Hoge Raad achtte het niet nodig om de klachten nader te motiveren, omdat deze niet relevant waren voor de eenheid of ontwikkeling van het recht, conform artikel 81 lid 1 van Pro de Wet op de rechterlijke organisatie.
Daarnaast stelde de Hoge Raad ambtshalve vast dat de redelijke termijn zoals bedoeld in artikel 6 lid 1 EVRM Pro was overschreden, aangezien meer dan twee jaar waren verstreken sinds het instellen van het cassatieberoep. Gezien de opgelegde taakstraf van vijftig uren vond de Hoge Raad dit echter niet aanleiding om verdere rechtsgevolgen te verbinden aan deze termijnoverschrijding.
De Hoge Raad bevestigde daarmee het oordeel van het hof en wees het cassatieberoep af, waarmee de veroordeling van verdachte stand hield.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en de veroordeling voor opzettelijk bezit van cocaïne blijft in stand met een taakstraf van vijftig uren.