Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van de cassatiemiddelen
3.Ambtshalve beoordeling van de uitspraak van het hof
4.Beslissing
11 november 2025.
Hoge Raad
In deze zaak stond de verdachte, een huisarts, terecht voor verkrachting van patiënten, strafbaar gesteld onder artikel 242 (oud) Sr. Het gerechtshof 's-Hertogenbosch had de verdachte eerder veroordeeld, waarna cassatie werd ingesteld bij de Hoge Raad.
De Hoge Raad beoordeelde diverse cassatiemiddelen, waaronder klachten over bewijsvoering, betrouwbaarheid van getuigenverklaringen en het gebruik van schakelbewijs. Deze klachten leidden niet tot vernietiging van het hofarrest. De Hoge Raad hoefde zijn oordeel niet te motiveren omdat de klachten niet van belang waren voor de eenheid of ontwikkeling van het recht.
Wel oordeelde de Hoge Raad ambtshalve dat de redelijke termijn zoals bedoeld in artikel 6 lid 1 EVRM Pro was overschreden, aangezien meer dan zestien maanden waren verstreken sinds het instellen van het cassatieberoep. Dit leidde tot vermindering van de opgelegde gevangenisstraf van vijf jaar tot vier jaar en negen maanden.
De Hoge Raad vernietigde daarom het hofarrest uitsluitend wat betreft de strafduur en wees het cassatieberoep voor het overige af. De uitspraak werd gedaan door de vice-president en twee raadsheren tijdens een openbare terechtzitting op 11 november 2025.
Uitkomst: De gevangenisstraf is verminderd tot vier jaar en negen maanden wegens overschrijding van de redelijke termijn.