ECLI:NL:HR:2025:1726
Hoge Raad
- Cassatie
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad vernietigt uitspraak Centrale Raad over toepasselijke socialezekerheidswetgeving en wijst zaak terug
Belanghebbende voerde beroep in cassatie tegen een uitspraak van de Centrale Raad van Beroep over de toepasselijke socialezekerheidswetgeving. De Hoge Raad had eerder prejudiciële vragen gesteld aan het Hof van Justitie van de Europese Unie over de beoordeling van het substantieel gedeelte van werkzaamheden in de woonstaat.
Op 4 september 2025 heeft het Hof van Justitie geoordeeld dat voor de beoordeling of een substantieel gedeelte van de werkzaamheden in de woonstaat wordt verricht, ten minste 25% van de arbeidstijd en/of bezoldiging in die staat moet plaatsvinden, zonder rekening te houden met andere criteria. Tevens moet rekening worden gehouden met de verwachte situatie in de komende twaalf maanden.
De Hoge Raad oordeelt dat het oordeel van de Centrale Raad onjuist was in het licht van deze prejudiciële uitspraak en vernietigt de uitspraak voor zover deze de toepasselijke socialezekerheidswetgeving betreft. De zaak wordt terugverwezen naar de Centrale Raad voor nadere beoordeling met inachtneming van het arrest van het Hof van Justitie.
De Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank wordt veroordeeld in de proceskosten van het cassatieberoep en dient het betaalde griffierecht aan belanghebbende te vergoeden. De Centrale Raad zal beoordelen of belanghebbende een vergoeding toekomt voor eerdere procedures en bezwaarbehandeling.
Uitkomst: Het beroep in cassatie wordt gegrond verklaard, de uitspraak van de Centrale Raad vernietigd en de zaak terugverwezen voor nadere beoordeling.