ECLI:NL:CRVB:2022:1240
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging toepasselijkheid Nederlandse socialezekerheidswetgeving voor binnenvaartwerker met werkzaamheden in meerdere EU-lidstaten
Appellant werkte in 2016 op een binnenvaartschip dat in Nederland is geregistreerd en exploitanten heeft in Nederland, terwijl hij woonachtig was in Nederland en tevens werkzaamheden verrichtte in België en Duitsland. De Sociale Verzekeringsbank (Svb) stelde in november 2019 voorlopig vast dat de Nederlandse socialezekeringswetgeving op appellant van toepassing was, mede op grond van het vaartijdenboek waaruit bleek dat 22% van de werkzaamheden in Nederland plaatsvond.
Appellant voerde aan dat hij slechts 18,5% van zijn werkzaamheden in Nederland verrichtte en betwistte de interpretatie van het vaartijdenboek. Tevens stelde hij dat de Svb niet onverwijld had beslist en dat de procedurevoorschriften van het Unierecht niet correct waren nageleefd. De Svb handhaafde het besluit en de rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond.
In hoger beroep oordeelde de Raad dat de Svb terecht uitging van het vaartijdenboek en dat 22% in combinatie met overige omstandigheden (zoals woonplaats en registratie van het schip) voldoende is om van een substantieel gedeelte van werkzaamheden in Nederland te spreken. Het meningsverschil tussen Nederland en Liechtenstein bleef bestaan, waardoor de voorlopige toepassing van de Nederlandse wetgeving gerechtvaardigd was.
De Raad verwierp het bezwaar dat de Svb niet onverwijld had beslist, omdat dit geen rechtsgevolgen heeft. Ook het verzoek om toepassing van artikel 73 van Pro de Toepassingsverordening en het sluiten van een bijzondere overeenkomst werd afgewezen omdat dit buiten het bestreden besluit viel. De Raad concludeerde dat de Nederlandse socialezekerheidswetgeving terecht van toepassing is verklaard en bevestigde de aangevallen uitspraak.
Uitkomst: De Nederlandse socialezekeringswetgeving blijft terecht van toepassing op appellant.