2.2In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.
(i) Kone en Otis zijn ondernemingen die zich bezighouden met het fabriceren, onderhouden en moderniseren van liften en roltrappen.
(ii) Er zijn vijf grote lift- en roltrapfabrikanten actief in Europa: Otis, Kone, Schindler, ThyssenKrupp en Mitsubishi Elevator Europe.
(iii) Aan deze vijf lift- en roltrapfabrikanten heeft de Europese Commissie bij onherroepelijk geworden beschikking van 21 februari 2007(hierna: de Beschikking) boetes opgelegd van in totaal € 992 miljoen wegens inbreuk in België, Duitsland, Luxemburg en Nederland op het kartelverbod van art. 101 VWEU, voorheen art. 81 EG-Verdrag. In de Nederlandse samenvatting van de Beschikkingis de werking van het kartel als volgt beschreven:
“7. Met name werden de volgende inbreuken gepleegd in één, verscheidene of alle betrokken lidstaten:
- afspraken over de verdeling van de afzet en installatie van liften en roltrappen;
- afspraken over de toewijzing van openbare en particuliere aanbestedingen, alsook van andere contracten, voor de verkoop en installatie van liften en roltrappen naar gelang van het overeengekomen aandeel van iedere onderneming in de afzet;
- afspraken over de toewijzing van projecten voor de verkoop en installatie van nieuwe liften en/of roltrappen overeenkomstig het beginsel dat bestaande klantenrelaties in acht moeten worden genomen;
- afspraken niet onderling te concurreren om onderhoudscontracten voor reeds bestaande liften en roltrappen en afspraken over de inschrijving op deze opdrachten;
- afspraken niet onderling te concurreren om onderhoudscontracten voor nieuwe liften en roltrappen en afspraken over de inschrijving op deze opdrachten; en
- afspraken niet onderling te concurreren om moderniseringscontracten.
Enkele van de voornaamste kenmerken van de inbreuken waren uitwisseling van commercieel belangrijke en vertrouwelijke markt- en ondernemingsinformatie, onder andere met betrekking tot biedgedrag en prijzen. De deelnemers kwamen regelmatig bijeen om afspraken over hogervermelde beperkingen te maken en zij hielden toezicht op de uitvoering ervan op de nationale markten. Er zijn bewijzen voorhanden dat de ondernemingen zich ervan bewust waren dat hun gedrag onwettig was en dat zij trachtten te voorkomen dat dit werd ontdekt; hun werknemers ontmoetten elkaar gewoonlijk in bars en restaurants, op het platteland of zelfs in het buitenland, en gebruikten prepaid-kaarten voor mobiele telefoons om te voorkomen dat zij werden opgespoord.”
(iv) De duur van het kartel in Nederland was van 15 april 1998 tot 5 maart 2004. Kone heeft daaraan deelgenomen van 1 juni 1999 tot 5 maart 2004 en Otis gedurende de gehele periode. Voor de inbreuk in Nederland heeft de Europese Commissie aan Kone een boete opgelegd van € 79.750.000,-- en aan Otis een boete van € 108.035.000,--.
(v) Met betrekking tot het effect van de inbreuk heeft de Commissie in de Beschikking onder meer het volgende overwogen (voetnoten weggelaten):
“The actual impact of the infringements
(660) In this case, the Commission did not attempt to demonstrate the precise effects of the infringement since it is impossible to determine with sufficient certainty the relevant competitive parameters (price, commercial terms, quality, innovation, and others) in the absence of the infringements. However it is obvious that the infringements did have an actual impact. The fact that the various anticompetitive arrangements were implemented by the cartel participants in itself suggests an impact on the market, even if the actual effect is difficult to measure, because it is, in particular, not known if and how many other projects were subject to bid-rigging, nor how many projects may have been subject to allocation between cartel members without there being a need for contacts between them. The high aggregate market shares of the cartel participants make anticompetitive effects appear likely and the relative stability of these market shares throughout the duration of the infringements would confirm these effects.
(668) The fact that the arrangements allegedly occurred on an ad hoc basis or that individual cartel members did not participate in certain projects (referred to by the Commission as mere examples based on information provided by undertakings under the Leniency Notice), does not affect the observation that the Dutch cartel was a complex, single and continuous infringement, nor that the overall infringement was very serious. In fact the circumstances of this case make it almost impossible to measure the extent of the obstacles to trade and, therefore, to take account of those obstacles in assessing the impact of the infringement on the market.
(669) In conclusion, the parties’ arguments cannot serve to demonstrate that the cartels were ineffective in freezing market shares and fixing prices in the elevators and escalators market. It remains undisputed that the unlawful arrangements had market effects (…).”
(vi) DGL is op 12 augustus 2008 opgericht. Het statutaire doel van DGL is het behartigen van de belangen van woningcorporaties die schade hebben geleden als gevolg van het hiervoor onder (iii) en (iv) bedoelde kartel. Bij DGL zijn 40 woningcorporaties aangesloten, die hun vorderingen op de karteldeelnemers aan DGL hebben gecedeerd (hierna: de woningcorporaties). Gezamenlijk hebben de woningcorporaties ongeveer 7.000 liften in gebruik.