Uitspraak
1.Procesverloop
2.Uitgangspunten en feiten
De rechtbank:
3.Beoordeling van het middel
4.Beslissing
28 november 2025.
Hoge Raad
In deze zaak verzocht de officier van justitie om een aansluitende zorgmachtiging voor betrokkene voor de duur van twaalf maanden. Betrokkene was bij twee mondelinge behandelingen niet verschenen, terwijl de rechtbank vaststelde dat hij op de hoogte was van de zittingen. De rechtbank verleende uiteindelijk de zorgmachtiging voor de resterende duur, stellende dat betrokkene niet bereid was zich te doen horen.
Betrokkene stelde in cassatie dat de rechtbank ten onrechte had geoordeeld dat hij niet bereid was zich te doen horen. De Hoge Raad overwoog dat op grond van art. 6:1 lid 1 Wvggz Pro de rechter moet vaststellen dat betrokkene niet bereid of niet in staat is zich te doen horen, en dit goed moet motiveren. Het is niet noodzakelijk dat betrokkene dit zelf verklaart; het kan ook worden afgeleid uit zijn gedrag en de pogingen van de rechter om hem te horen.
De Hoge Raad oordeelde dat de rechtbank onvoldoende had gemotiveerd dat betrokkene niet bereid was zich te doen horen, aangezien de enkele omstandigheid dat betrokkene niet kwam en voorafgaand aan de zitting had aangegeven niet te komen, niet volstond. Daarom vernietigde de Hoge Raad de beschikking en verwees de zaak terug naar de rechtbank voor verdere behandeling en beslissing.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt de beschikking en wijst de zaak terug naar de rechtbank voor verdere behandeling wegens onvoldoende motivering omtrent de bereidheid van betrokkene zich te doen horen.