Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van de cassatiemiddelen
3.Beslissing
9 december 2025.
Hoge Raad
In deze strafzaak stond de verdachte terecht voor poging tot doodslag door in 2020 in Amsterdam een willekeurige wandelaar met een vuurwapen in de buik te schieten, bedreiging met een misdrijf tegen het leven gericht en het voorhanden hebben van een vuurwapen en munitie. Het gerechtshof Amsterdam had de verdachte veroordeeld tot een gevangenisstraf van 66 maanden en TBS met dwangverpleging.
De verdachte stelde in cassatie onder meer vragen over de strafmotivering, met name de beoordeling van een gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke stoornis van geestvermogens tijdens het plegen van de feiten, en verwees naar een arrest van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) in de zaak Constancia/Nederland. Tevens werd betwist of de toewijzing van immateriële schade aan de benadeelde partij door het hof in overeenstemming was met de procesregels.
De Hoge Raad heeft de klachten van de verdachte beoordeeld en geoordeeld dat deze onvoldoende zijn om het arrest van het hof te vernietigen. De Hoge Raad achtte het niet nodig om nadere motivering te geven, omdat de klachten geen vragen van belang voor de eenheid of ontwikkeling van het recht bevatten. Het cassatieberoep werd derhalve verworpen.
Uitkomst: Hoge Raad verwerpt cassatie en bevestigt gevangenisstraf van 66 maanden en TBS met dwangverpleging.