Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Uitgangspunten in cassatie
3.De oordelen van het Hof
(…)
- veroordeelt de heffingsambtenaar in de proceskosten van belanghebbende tot een bedrag van € 1.897,50 (voor het beroep) en € 837 (voor het hoger beroep) (…)”.
Hoge Raad
Belanghebbende maakte bezwaar tegen de waardering van diverse onroerende zaken door de heffingsambtenaar van de Belastingsamenwerking Gemeenten en Waterschappen Limburg voor het jaar 2020. De rechtbank verlaagde de waardes en stelde een proceskostenvergoeding vast, die belanghebbende te laag vond. Het hof verklaarde het incidentele hoger beroep van belanghebbende gegrond en verhoogde de vergoeding, maar het dictum van het hof week af van de rechtsoverwegingen.
De Hoge Raad oordeelt dat het hof ten onrechte de proceskostenvergoeding in het dictum lager heeft vastgesteld dan in de overwegingen en vernietigt het arrest van het hof voor zover het de proceskostenvergoeding betreft. De Hoge Raad stelt de vergoeding voor de bezwaarfase en de beroepsfase vast op respectievelijk € 1.294 en € 2.268, berekend aan de hand van punten en wegingsfactoren conform het Besluit proceskosten bestuursrecht.
Verder bevestigt de Hoge Raad dat de differentiatie in vergoeding tussen belasting- en premiezaken enerzijds en overige zaken anderzijds niet in strijd is met het discriminatieverbod of algemene rechtsbeginselen. De Hoge Raad veroordeelt het dagelijks bestuur van de Belastingsamenwerking in de kosten van het cassatiegeding en draagt op tot vergoeding van het griffierecht.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt het arrest van het hof over de proceskostenvergoeding en stelt de vergoeding voor bezwaarfase en beroepsfase zelf vast.